Stijl - Home
Hoe werkt het? Klik hier
Begin pagina
loggy.nl Home
Weblog maken
RSS Feed

Abonneren!

Over dit weblog
Welkom op Stijl. Stijl is een opiniërend weblog. Ik zet er essays op waarin ik mijn mening geef over (vooral politieke) zaken die mij bezighouden. Ik probeer steeds om een vurige passie voor mijn overtuigingen te combineren met nuchterheid en scepsis, in navolging van mijn grote voorbeeld, George Orwell. In hoeverre ik daarin slaag, is aan u om te beoordelen; ik hoop in ieder geval dat ik u met mijn pennevruchten aan het denken zet. Ook ga ik graag een goede discussie aan, dus als u óók een mening heeft over een van de onderwerpen waar ik over schrijf, reageer dan vooral!

Wat is het mooi om partijlid te zijn...
Blog mee! Planeet GroenLinks

'Ich bin einer Sozialdemokrat'


'We moeten op zoek naar een moderne manier om invulling te geven aan de sociaal-democratie!' Het zal ieder actief PvdA-lid inmiddels als een cliché in de oren klinken – mij overigens ook, want ik lees de Volkskrant en die volgt de interne ontwikkelingen in de PvdA bijzonder nauwgezet. En ook nu de partij op zoek is naar een opvolger voor Job Cohen, is het weer raak: Neêrlands grootste oppositiepartij zoekt toch vooral een leider die de sociaal-democratie een modern gezicht kan geven.

 

Het feit dat die woorden al zo vaak herhaald zijn, geeft al aan dat het met die zoektocht niet echt wil vlotten. Misschien komt dat wel doordat die woorden steeds vergezeld gaan van de onuitgesproken aanname dat die 'moderne vorm van sociaal-democratie' alleen bij de Partij van de Arbeid vandaan kan komen.

 

Die aanname heb ik altijd al vreemd gevonden. Er zijn immers nog minstens twee partijen in Nederland die sociaal-democratische politiek bedrijven: GroenLinks en de SP. Zelfs de ChristenUnie heeft sociaal-democratische trekjes, al zullen ze daar eerder juichend in felroze onderbroekjes rond een brandende stapel Bijbels gaan staan dansen dan dat toe te geven.

 

Ook die andere twee zullen het woord 'sociaal-democratie' niet zo snel in de mond nemen. De PvdA is daarmee de enige partij in Nederland die sociaal-democratisch is en dat ook met zoveel woorden zegt. De Wiardi Beckman Stichting noemt zich 'wetenschappelijk bureau voor de sociaal-democratie'; Ronald Plasterk zei over zijn kandidatuur voor het PvdA-leiderschap dat hij opgaat voor 'leider van de sociaal-democratie'. Dat maakt de aanname dat 'sociaal-democratisch' automatisch 'PvdA' betekent wel verklaarbaarder, maar niet minder onjuist.

 

Bij het bepalen van de ideologische kleur van een partij moet je namelijk niet letten op wat ze zelf zeggen te zijn, maar op welke maatregelen ze voorstaan – met andere woorden, je moet eerder naar de verkiezings- dan naar de beginselprogramma's kijken. Als een middenstander continu verkondigt dat hij een slagerij heeft, maar zich in werkelijkheid vooral bezighoudt met het bakken van brood, noem je hem toch ook eerder een bakker dan een slager?

 

In dit kader moet ik ook denken aan mijn eerdere essay "Linkse liberalen bestaan niet". Op een bijeenkomst van de Hellingproef (de jongerenafdeling van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks) deed dit enig stof opwaaien. Ik had me bij de definitie van 'liberalisme' blind gestaard op het klassieke liberalisme, kreeg ik te horen; wist ik dan niet dat er ook nog zoiets als sociaal liberalisme bestond? Kortom, ik had mijn huiswerk niet gedaan.

 

Het geval wil dat ik mijn huiswerk wél had gedaan – ik was alleen op wat andere antwoorden uitgekomen dan de leraren misschien beoogd hadden. Ik heb genoeg inleidingen-tot-politieke-stromingen gelezen, en daarin werd inderdaad altijd het sociaal-liberalisme opgevoerd, maar steeds was de beschrijving ervan (we zijn in beginsel voor een markteconomie, maar de staat mag ingrijpen om gelijke kansen voor iedereen te garanderen) met gemak inwisselbaar voor die van de sociaal-democratie. Ik begon meer en meer het kunstmatige in te zien van het onderscheid tussen sociaal-democratie en sociaal-liberalisme, tot ik uiteindelijk besloot om die laatste in de vuilnisbak te kegelen. Het "sociaal-liberalisme" is een onzin-stroming, een etiket voor D66-achtige types die het eigenlijk met de sociaal-democraten eens zijn maar dat niet toe durven te geven. "Sociaal-liberalen" zeggen hetzelfde als sociaal-democraten, ze zeggen het alleen in een andere taal – en zoals ik hierboven heb proberen aan te geven, doet het ertoe wát je zegt, niet welke taal je spreekt. Als 'liberalisme' iets betekent, betekent het klassiek liberalisme en daarmee basta.

 

Maar goed, terug naar de sociaal-democratie. Waarom komen wij als GroenLinks er niet rond voor uit dat we sociaal-democraten zijn? Waarom blijven we toch de PvdA het alleenrecht op dat etiket geven? Vinden we het te stoffig, te ouderwets? Zijn we bang om kiezers af te schrikken die zich liever 'sociaal-liberaal-vrijzinnig-progressief' noemen, of wat voor etiketten Alexander Pechtold nog meer uit zijn duim zuigt? Of is ons ego te groot om toe te geven dat onze idealen niet in 1989 uit de lucht zijn komen vallen, maar in een veel oudere traditie zijn te plaatsen?

 

Hoe dan ook is het vreselijk zonde dat we dat niet doen. Want die moderne vorm van sociaal-democratie waar de PvdA zo naarstig naar op zoek is, die hebben wij allang gevonden; onze verkiezingsprogramma's staan er vol mee.

 

De AOW-leeftijd afhankelijk van het aantal arbeidsjaren. Meer belasting op vervuiling en minder op arbeid. Een hogere en kortere WW. In het ontslagrecht de nadruk op scholing zodat mensen sneller aan een nieuwe baan komen. Studieloon en studietaks in plaats van studiefinanciering. Het naar nul afbouwen van de hypotheekrenteaftrek. Dát is modern sociaal-democratisch beleid – en het zijn heldere keuzes die de PvdA niet durft te maken.

 

Dus laten we op 1 mei een groot GroenLinks-feest aanrichten. Laten we op het volgende congres uit volle borst de Internationale zingen. Partijgenoten, laten we onze plaats opeisen in de voorhoede van de Nederlandse sociaal-democratie – want de sociaal-democratie is te belangrijk om aan de Partij van de Arbeid over te laten.


15:22:37 29 Februari 2012 Permanente link Reacties (0)

Een streep in het zand van de Negev


Ruim drieduizend kilometer hier vandaan ligt een lap grond van achtentwintigduizend vierkante kilometer – 0,7 keer Nederland. Er wonen elf miljoen mensen, die al een eeuw ruzie maken om dat stukje grond. Op basis van die cijfers zou je verwachten dat we inmiddels onze schouders erover op zouden halen: wat kan ons het boeien wie dat flutconflict wint, laat die ruziemakers in hun eigen sop gaarkoken. Een beetje zoals we tegen de eeuwige vete in Noord-Ierland aankijken.

 

Maar dit is geen gewoon stukje grond. Het heet – ja, en daar begint de moeilijkheid al: de een noemt het “Palestina”, de ander liever “Israël”. Hoe dan ook is het om één of andere reden een Heilig Land, waar miljoenen mensen over de hele wereld zich bijzonder druk om maken.

 

Waarom in vredesnaam? Het gaat nu niet bepaald om grote massa’s mensen, zoals ik al aangaf; ook zitten er bij mijn weten geen enorme voorraden ijzer, koper of ander interessant spul in de grond, daar in het Heilige Land.

 

Voor een deel valt deze buitensporige interesse voor het Israëlisch-Palestijnse conflict te verklaren door de vele morele vraagstukken waar het een mooie casus voor is. Neem een club als Hamas – zijn dat vrijheidsstrijders of terroristen? Wie heeft het meeste “recht” op dat kleine stukje grond, en waarom dan wel? En hoe ver mag Israël gaan om zijn eigen grenzen te beschermen? Het zijn vragen waar je avond aan avond over kunt discussiëren, wat we dan ook graag doen.

 

Maar dat is niet de belangrijkste reden. Voor de meeste sympathisanten aan beide zijden speelt er een veel vulgairder, en daardoor des te krachtiger motief mee: nationalisme. Het is een instinct uit de tijd dat we nog in kleine groepen over de Afrikaanse savanne zwierven: eigen stam eerst! En ook nu die “stammen” heel wat vager gedefinieerd zijn, en miljoenen of zelfs miljarden mensen kunnen omvatten, hebben we een onbedwingbare neiging om voor onze stamgenoten op te komen – zie bijvoorbeeld de ChristenUnie, die zich op het punt van buitenlands beleid nergens zo druk om maakt als om de vervolgde christenen van deze wereld.

 

Voor miljoenen mensen over de hele wereld horen de Palestijnen bij hun stam, of die nu langs religieuze lijnen is afgebakend (het zijn broeder-moslims!) of langs etnische (het zijn broeder-Arabieren!). Dito voor de Israëlieten, met wie wij in “het Westen” ons prima kunnen identificeren. Nationalisme is iets waar vooral rechtse mensen last van hebben - linkse mensen schieten, als reactie daarop, vaak door in het andere uiterste: wij hebben een neiging om het “vreemde” te omarmen en ons te distantiëren van het “eigene”. Het is dus niet verwonderlijk dat in de meeste Europese landen de sympathie voor Israël bij rechts te vinden is, en die voor de Palestijnen bij links.

 

Het vervelende is dat die tribale impulsen het oordeel vertroebelen over de morele vraagstukken waar ik het zoëven over had.

 

Er kwam laatst een gedachte bij me op, die anderen vast ook wel eens vóór mij gedacht hebben, maar die ik tot zover nog niet in de krant, op TV of waar dan ook ben tegengekomen: wat als we het nu eens omdraaiden? Stel, de Palestijnen zouden het Joodse volk zijn – ja, datzelfde volk dat we in Europa eeuwenlang gepest hebben, en in de Tweede Wereldoorlog zelfs bijna uitgeroeid – en de Israëlieten een Arabisch, overwegend islamitisch volk, zoals je er in die omgeving wel meer hebt. Verder loopt het conflict vanaf 1967 hetzelfde als in het echt: intifada hier, invasie daar, blokkade zus, veiligheidsmuur zo, de hele rataplan; we laten even buiten beschouwing hoe onwaarschijnlijk dit scenario is.

 

Hoeveel van de miljoenen mensen die zich op afstand met het conflict bezighouden, zouden dan aan een andere kant staan dan ze nu staan? De meerderheid, vrees ik. Opiniemakers ter rechterzijde zouden over elkaar heen buitelen om “Islamraël” van oorlogsmisdaden te betichten; de PVV zou bij iedere clusterbom en iedere fosforgranaat moord en brand schreeuwen over die barbaarse Arabieren. Amanda Kluveld zou twintig columns vol schrijven over de heldhaftige verzetsstrijders van Hezbollah en Hamas.

 

Linkse mensen zouden juist zeggen dat het allemaal wel meeviel met die fosforgranaten; en ach, als een land zijn grenzen wil verdedigen heeft het daar het volste recht toe, nietwaar? Gretta Duisenberg zou ik weet niet hoeveel miljoen handtekeningen proberen te verzamelen – niet voor “Stop de Bezetting”, maar voor  “Stop de Intifada”.

 

Dat dit partij kiezen op basis van de keppeltjes c.q. hoofddoekjes van de strijdende partijen, zwak en hypocriet is, lijkt me duidelijk. Het is een universele menselijke neiging om een (meestal vrij arbitraire) streep in het zand te trekken, en vervolgens andere morele maatstaven te hanteren voor de mensen aan jouw kant van de streep dan voor de mensen aan de andere kant. Maar die neiging moeten we herkennen en onderdrukken, in plaats van hem ongegeneerd bot te vieren, zoals de verdedigers van Palestina en vooral die van Israël nu doen.


01:03:44 13 December 2011 Permanente link Reacties (0)

De wraak van de Vrije Jongens


Ik loop al langer rond met het idee dat er zoiets bestaat als de “psychologie van links en rechts”. Een politieke overtuiging is een min of meer samenhangende verzameling principes waar door redeneren concrete standpunten uit gedestilleerd worden, maar er zit vaak meer aan vast. Iemands politieke voorkeuren kunnen hem ook op een irrationeel, emotioneel niveau beïnvloeden. Wat associeer je waarmee, aan welke symbolen en instituties hecht je waarde, welke thema’s vind je mooi om te zien in kunst: het wordt allemaal op z’n minst gedeeltelijk bepaald door je politieke kleur.

 

Een mooi voorbeeld is de manier waarop mensen tegen ambtenaren enerzijds, en ondernemers anderzijds aankijken. Ikzelf weet op een rationeel niveau heel goed dat er duizenden nette, hardwerkende ondernemers zijn in Nederland, die onmisbaar zijn om de economie draaiende te houden. Ik weet ook dat er heel wat incompetente ambtenaren zijn, die maar wat aanrommelen en de burger nauwelijks echt van dienst zijn. Maar diep van binnen associeer ik “de ambtenaar” met een nobel, fatsoenlijk iemand die zich inzet voor de Goede Zaak en het Algemeen Belang. Op datzelfde niveau is “de ondernemer” voor mij een boeman die lak heeft aan wetten en regels, een handeltje in babylijkjes zou beginnen als er geld mee te verdienen viel, en er een vreselijk egocentrische en kortzichtige politieke agenda op nahoudt.

 

Die associaties hangen direct samen met mijn linkse overtuigingen. Voor een rechts iemand zal het voor een groot deel precies andersom zijn: die ziet ondernemers als helden van wie alle welvaart, werkgelegenheid en “innovatie” vandaan moet komen, en ambtenaren als potverteerders die er bijna van genieten om de gefrustreerde burger van het kastje naar de muur te sturen. In het regeerakkoord bijvoorbeeld, en in de communicatie van dit kabinet in het algemeen, worden ‘de ondernemer’ en ‘het bedrijfsleven’ zo de hemel in geprezen dat je bijna van een cultus van de ondernemer kunt spreken.

 

Maar in welke richting je vooroordelen op dit niveau ook wijzen, af en toe komt er iemand langs die ze op amusante wijze bevestigt. Zoals in mijn geval laatst Ardjan Langedijk. Hij heeft een opiniestuk geschreven dat op de Volkskrant-website circuleert. Over hem wordt alleen vermeld dat hij ‘ondernemer’ is – in welke branche staat er niet eens bij. Een korte Google-zoektocht wijst uit dat deze mysterieuze figuur een reisbureau heeft dat gespecialiseerd is in reizen naar Kazachstan, en daarnaast een fervent schaker is. Een reisbureau gericht op Kazachstan? Is deze man echt niet stiekem een typetje van Van Kooten & De Bie?

 

Wie of wat hij ook moge zijn, deze ondernemer in de bloeiende reizen-naar-Kazachstanbranche heeft zich ten doel gesteld om het kabinet-Rutte te verdedigen tegen al die linkse zeurpieten die er ‘buitenproportioneel, emotioneel en irrationeel’ op reageren. Eens zien wat hij te zeggen heeft.

 

Hij begint zijn betoog met een constatering waar weinig op af te dingen valt: Nederland is, internationaal gezien, een ontzettend links land. Wat dan wel weer jammer is, is dat hij terloops een vergelijking maakt met de USSR; dat is zoiets als dat ik het relatief rechtse Groot-Brittannië zou vergelijken met het Derde Rijk of met Franco-Spanje. Ongegrond en onfatsoenlijk. Verder valt er een kleine kanttekening te plaatsen bij zijn opmerking dat de Amerikaanse Democraten de VVD ‘makkelijk rechts in kunnen halen’: in Amerika hebben noch de Republikeinen, noch de Democraten één duidelijke partijlijn. Iedere senator, gouverneur of burgemeester trekt min of meer zijn eigen plan, en de meest linkse Republikeinse politici zijn een heel stuk linkser dan de meest rechtse Democraten. Waar Langedijk wel gelijk in heeft, is dat voor Europese begrippen zo’n beetje alle Amerikanen ver, ver rechts van het midden staan.

 

Maar goed, Nederland schuift dankzij Rutte, Verhagen en Wilders aardig op richting het internationale midden – ‘een ontwikkeling die mijns inziens onontkoombaar en wenselijk is,’ aldus Langedijk. Waarom is dat zo wenselijk? Hij begint keurig zijn argumenten op te noemen. Er zitten een aantal grove en bizarre fouten in, maar hij hééft in ieder geval argumenten, en heeft moeite gedaan om ze netjes op te schrijven. Dat is al heel wat meer dan van de meeste Rutte-apologeten gezegd kan worden.

 

Zijn eerste argument gaat over ‘inactieven’ en ‘actieven’, leuke termen voor werklozen resp. werkenden. Een degelijk en helder verhaal, maar er is één klein probleempje: het gaat lijnrecht tegen de feiten in. Zijn belangrijkste punt hier is dat er door dit kabinet ‘zoveel mogelijk wordt getracht om inactieven weer actief te maken – een uitstekende tendens!’ Zeker zou dit een uitstekende tendens zijn, alleen jammer dat het kabinet dat helemaal niet doet. Zo wordt er een stevige bezuiniging ingeboekt op het reïntegratiebeleid – dat wil zeggen, op de instituten die er zijn om ‘inactieven’ weer aan het werk te krijgen. En het wordt nog mooier: Langedijk heeft het expliciet over het snoeiwerk in de sociale werkplaatsen. Daar worden tienduizenden arbeidsplaatsen wegbezuinigd, en het is al honderd keer becijferd dat een ruime meerderheid van die mensen in de bijstand terecht gaat komen. Onze ondernemer bespreekt dus een maatregel waarmee de met-veel-steun-nog-net-een-beetje-actieven inactief worden gemaakt, en steekt direct daarna de loftrompet over het kabinet dat inactieven weer actief maakt. Je moet het maar durven.

 

Vervolgens krijgen we een rekensommetje over de kinderopvang. Dit is een thema waar ik me zelf nooit veel mee bezig heb gehouden, en ik weet er te weinig van om iets zinnigs te zeggen over zijn beweringen op dit gebied. Wat me in deze paragraaf van Langedijks betoog wel opvalt, is een bijzin over ‘GroenLinks en andere oppositiepartijen’ die ons dingen ‘doen geloven op basis van onderzoekjes in eigen kring.’ Een merkwaardig argument. Onderzoek deugt of het deugt niet; als het niet deugt, waarom schrijft hij dan niet gewoon ‘op basis van ondeugdelijk onderzoek’? En als het wel deugt, dan zijn de resultaten net zo geldig voor mensen buiten de ‘eigen kring’ van de opdrachtgever als voor mensen binnen die kring. Of toch niet? Laat ik er maar eens een beladen en zwaar overtrokken vergelijking uit gooien, dan staan de heer Langedijk en ik weer quitte (zie zijn verwijzing naar de USSR). George Orwell schrijft in Looking Back on the Spanish War (1942):

 

‘Nazi theory indeed specifically denies that such a thing as ‘the truth’ exists. There is, for instance, no such thing as ‘science’. There is only ‘German science’, ‘Jewish science’, etc.’

 

Dat is makkelijk om te schrijven naar: There is no such thing as ‘research’. There is only ‘Liberal research’, ‘Socialist research’, ‘Green research’, etc. Zoals ik al zei, een zwaar overtrokken vergelijking, maar hij zou enigszins duidelijk moeten maken hoe belachelijk het is om over ‘onderzoekjes in eigen kring’ te praten.

 

Punt drie: de bezuinigingen op cultuur. Langedijk haalt een onderzoek aan waaruit blijkt dat het Britse stelsel van cultuursubsidies, ‘waarbij culturele instellingen evenveel subsidie krijgen als zij zelf aan inkomsten binnenhalen,’ beter werkt. Hier zie ik zo snel geen rare sprongen; wel vraag ik me af of het kabinetsbeleid ons überhaupt dichter bij dat o zo geweldige Britse systeem brengt. Is dat niet het geval, dan is dat onderzoeksresultaat ook geen argument voor de cultuurbezuinigingen. Over het antwoord op deze simpele vraag zwijgt Langedijk in ieder geval in alle toonaarden.

 

En dan de gezondheidszorg. Langedijk is lovend over de krimp van het basispakket en de verhoging van het eigen risico, omdat dat allemaal ‘past in de regeringsideologie “eigen verantwoordelijkheid”’. Hij vergeet gemakshalve dat tegelijkertijd de persoonsgebonden budgetten worden gedecimeerd – een maatregel die mensen nu juist hun eigen verantwoordelijkheid (en vrijheid) afneemt, zonder dat het meer oplevert dan een voorlopig tevreden gedoogpartner.

 

Zijn paragraaf over de rechtspraak, waarin dankzij de frisse rechtse wind steeds meer aan het slachtoffer gedacht zou worden en minder aan de dader, vind ik niet bijzonder boeiend; veel interessanter is de volgende alinea, over duurzaamheid. Hij maakt hierin namelijk een denkfout die extreem wijdverbreid is, en die treffend weergegeven wordt door de volgende zin: ‘We werken aan duurzaamheid binnen de grenzen van het economisch toelaatbare.’

 

De achterliggende gedachte is dat duurzaamheid een leuk extraatje is, waar je aandacht aan kunt besteden als verder alles goed op orde is. Helaas is dat niet zo. Om ergens op te slaan, zou de zin moeten worden omgekeerd: ‘We werken aan de economie binnen de grenzen van het ecologisch toelaatbare.’ Het verschil zit ‘m erin dat de ‘grenzen van het economisch toelaatbare’ subjectief zijn: hoeveel auto’s moet je voor de deur hebben en hoeveel vierkante centimeters plasma aan de muur, en hoe snel moet die welvaart groeien (of hoe langzaam moet hij krimpen) voordat het ‘economisch toelaatbaar’ is? Nee, dan de grenzen van het ecologisch toelaatbare. Die zijn weliswaar niet helemaal bekend, maar wat we wel weten is dat ze vast, fysiek, en keihard zijn. Je kunt niet méér ijzererts of steenkool uit de grond halen dan erin zit, en er is ook niet oneindig veel geschikte landbouwgrond op aarde. Kortom, als iets niet ‘economisch toelaatbaar’ is, is het vervelend, maar als het niet ‘ecologisch toelaatbaar’ is, is het domweg niet mogelijk, althans niet voor al te lange tijd. Duurzaam beleid betekent dat je ‘binnen de grenzen van het ecologisch toelaatbare’ – dus binnen de mogelijkheden – een zeker niveau van welvaart en beschaving probeert te handhaven.

 

Ardjan Langedijk is een van de velen die dit niet door lijken te hebben. Hij schrijft dat hij veel respect heeft voor mensen die daadwerkelijk ‘bereid zijn om 10-20 procent inkomensverlies op de koop toe te nemen voor een duurzaamheidsbeleid met een hoofdletter D,’ maar dat is geen kwestie van ‘bereid zijn’; er is geen ontkomen aan. Óf we leveren nu die ‘10-20 procent inkomen’ in, óf we gaan gezellig op de huidige, verre van duurzame weg door totdat bij wijze van spreken de olie op is, de poolkappen zijn gesmolten, de zeeën zijn leeggevist en de regenwouden zijn verdwenen – en dan zullen we heel wat meer in moeten leveren. Linksom of rechtsom, inleveren moeten we toch.

 

Als laatste heeft Langedijk het over het (anti-)natuurbeleid van Henk Bleker. Zelf vind ik dit misschien wel de grootste schurkenstreek van dit kabinet; het kapwerk in bijvoorbeeld de sociale zekerheid raakt weliswaar meer mensen en raakt hen ook veel harder, maar de natuurschade die Bleker aanricht is veel blijvender. Als dit kabinet uitkeringen of subsidies verlaagt, kan een volgend kabinet ze weer omhoog schroeven, maar het wanbeleid van Bleker maakt dingen kapot die we in geen honderd jaar meer terugkrijgen. Hoe verdedigt Ardjan Langedijk dit?

 

Ten eerste door het belang van ‘meer landbouwgronden en een grotere mate van voedselonafhankelijkheid’ te benadrukken. Dit soort passages vind ik altijd wel grappig om te lezen. De Nederlandse landbouw is een erg schattig CDA-stokpaardje; ook in bijvoorbeeld de regeringsverklaring kwam onze landbouwsector langs in Ruttes opsomming van dingen waar ‘de kracht van Nederland’ in zat. Dat die landbouwsector allang dood en begraven zou zijn zonder de brute methoden van de bio-industrie (roofbouw op plant en dier, die op de lange termijn absoluut niet houdbaar is) en het subsidie-infuus vanuit Brussel, daar heeft men het liever niet over. En voedselonafhankelijkheid? Nog leuker. Dat kleine lapje grond van ons, amper veertigduizend vierkante kilometer, zou een substantiële bijdrage moeten leveren aan het eten van zestien miljoen mensen met een belachelijk hoog welvaartsniveau? Dat wordt lastig, zeker als je bedenkt dat al die mensen ondertussen ook nog ergens moeten wonen.

 

Dat is ook gelijk Langedijks tweede punt hier: ‘Daarnaast neemt onze bevolking nog steeds gestaag toe (en zouden veel mensen graag wat groter willen wonen).’ Nu wordt het echt lachwekkend. Ik herhaal het nog maar eens, zestien miljoen mensen op veertigduizend vierkante kilometer. We zitten met die zestien miljoen mensen al heel erg dicht op elkaar gepakt; toch mogen we van Langedijk best ‘wat groter’ gaan wonen. En dat terwijl hij aan het begin van zijn stuk nota bene klaagt dat Nederland zo lang boven zijn stand heeft geleefd! Erg consequent is onze ondernemer niet.

 

Het derde en laatste punt dat hij tegen de natuur inbrengt is dat ‘de perceptie van schoonheid subjectief is; menigeen fietst of wandelt liever door weilanden met koeien dan door bossen.’ Ik zal niet ontkennen dat ik geniet van mijn dagelijkse forensenfietstocht door de weilanden tussen Rotterdam en Delft, maar dat maakt deze redenering niet minder krom. Juist omdat iedereen iets anders mooi vindt, is het voor de leefbaarheid van Nederland erg belangrijk dat er variatie in het landschap zit. Tussen alle steden, rijkswegen en weilanden willen we af en toe een flinke pluk bos of hei.

 

Enfin, ik heb aan het begin van deze tekst gezegd dat Ardjan Langedijk mijn vooroordelen over ondernemers (in ieder geval wat betreft hun politieke instelling) op komische wijze bevestigt. Even verderop sprak ik de verdenking uit dat hij een typetje was van Van Kooten & De Bie, vanwege zijn bedrijf ‘Kazachstan Reizen’ – een reisbureau dat zich richt op Kazachstan, wie verzint zoiets nu? Ik vind dat hij inderdaad wel veel van een Koot & Bie-typetje weg heeft, maar dan niet om die reden. Ardjan Langedijk is een Vrije Jongen, een echte. Een ‘zelfstandige ondernemer die nooit te beroerd is om 48 uur per dag z’n handjes te laten wapperen.’

 

Dit kabinet is de wraak van de Vrije Jongens. Vrije Jongens bestaan al sinds de Gouden Eeuw of nog langer; een paar eeuwen lang plunderden ze de halve wereld leeg, en met hun Hollandse koopmansvernuft wisten ze uit iedere oorlog een slaatje te slaan, of het nu 1621 was of 1943. Niet lang na die laatste oorlog besloot men dat het welletjes was, en werden de Vrije Jongens in een kooi gestopt door de moraalridders van de confessionele partijen en de linkse rakkers van de PvdA. Maar nu mogen ze, na decennia zo gekneveld te zijn geweest, eindelijk weer los: hard rijden, inbrekers in elkaar rossen, zonder gezeur kolen- en kerncentrales neerzetten, en hardop zeggen dat alles de schuld is van de Marokkanen. Heerlijk! (Goed, het “confessionele” CDA zit nog wel in de regering, maar het is gereduceerd tot een zielig hoopje, dat zich om de macht vast te houden bovendien in zoveel rare bochten heeft gewrongen dat er nauwelijks nog vorm in zit – daar hoeven Rutte en Wilders zich weinig aan gelegen te laten liggen, en de Vrije Jongens al helemaal niet).

 

Enige relativering is hier op zijn plaats: Langedijk schrijft zelf ook dat Nederland onder Rutte ‘een tamelijk links land’ blijft. Maar al verandert er concreet misschien minder dan je zou denken, in de beleving van de Vrije Jongens is hun Verlossing nu eindelijk gekomen. Beleving, dat vindt dit kabinet erg belangrijk. Sheila Sitalsing schrijft in haar meesterlijke Volkskrant-column van 30 november over minister Schultz die 132 miljoen euro uitgeeft aan ‘de beleving van de automobilist’: geld om het wegennet zo aan te passen dat we veilig 130 kunnen rijden. De Vrije Jongens vinden het prachtig.

 

Maar ja, die Linksmenschen hè, die blijven maar zeuren. Of het nu om de echte, concrete maatregelen gaat of om de ‘beleving’, progressieve Nederlanders lopen aan één stuk door te mekkeren over het verlies van hun natuurgebiedjes, hun toneelgezelschapjes en hun persoonsgebonden budgetjes. Hoog tijd dus dat er een echte Vrije Jongen opstaat die hen te verstaan geeft dat ze daar eens mee op moeten houden. Ardjan Langedijk doet dat zeer verdienstelijk – alleen jammer dat hij het grotendeels met onzin doet.


16:52:07 05 December 2011 Permanente link Reacties (2)

Op de schouders van reuzen


Wie mijn essays tot zover heeft gelezen, zal inmiddels een vrij helder idee hebben van mijn opvattingen op een aantal terreinen, van mijn wereldbeeld tot mijn politieke overtuigingen. Al die ideeën heb ik niet zomaar uit mijn duim gezogen; ik ben niet tien dagen in een of andere woestijn gaan zitten mediteren om mijn “visie op de kosmos” te bepalen. Nee, mijn denken is, zoals dat van de meeste denkers, gevormd door veel lezen en luisteren. En het lijkt me niet meer dan respectvol om hier een eerbetoon te brengen aan mijn helden, die mijn gedachten zo vaak hebben verrijkt en geïnspireerd – te beginnen met...

 

KARL POPPER (1902 – 1994)

Ik heb Poppers The Open Society and Its Enemies gelezen toen ik 14 was. Ondanks die leeftijd en het feit dat Engels niet mijn moedertaal is, begreep ik bijna alles, op een paar hoofdstukken over Marx na, waar ik misschien meer van zou snappen als ik ze nu opnieuw zou lezen. Dit zeg ik niet om op te scheppen over mijn superieure intellect, maar om duidelijk te maken hoe begrijpelijk en concreet Popper kon schrijven.Ik sla het boek af en toe nog wel eens open, en sta steeds weer versteld van de eenvoud en de helderheid ervan. Met bijna kinderlijk simpele redeneringen prikt Popper de gewichtige theorieën van figuren als Plato door; dit legde bij mij de basis voor een bewondering voor het eenvoudige, het nuchtere, het concrete, dat me later ook in bijvoorbeeld Orwell enorm zou aanspreken.

 

Ook heeft Popper, met zijn ideeën over ‘falsificatie’, voor een belangrijk deel mijn begrip van wetenschappelijke vooruitgang gevormd. Zijn visie komt, in het kort, hierop neer: een wetenschappelijke theorie is de beste benadering van de werkelijkheid die we met de kennis van nu kunnen maken. Duiken er waarnemingen op die niet in de theorie passen, dan moet de theorie de prullenbak in (hij is ‘gefalsifieerd’) en gaan we op zoek naar een nieuwe theorie, die een betere benadering van de werkelijkheid moet zijn dan de vorige. Maar die theorie kan op zijn beurt weer gefalsifieerd worden door nieuwe waarnemingen, enzovoort. Het komt erop neer dat de wetenschap nooit de waarheid vindt, maar er wel steeds dichter in de buurt komt; een theorie kan wel verworpen worden, maar nooit helemaal bewezen, er kunnen immers altijd nog feiten zijn die we nog niet kennen. Toen ik dat eenmaal snapte, bedacht ik de metafoor van de wetenschappelijke vooruitgang als een soort grafiek met de zuivere, onbetwistbare waarheid als asymptoot*, en ik zal vast niet de eerste zijn geweest die op dat beeld kwam.

 

RICHARD DAWKINS (1941)

Ik heb er even over getwijfeld of ik Dawkins in dit rijtje “helden” zou opnemen; zijn invloed op mij is vrij beperkt geweest, in vergelijking met die van de andere denkers hier. Toch wil ik hem de eer niet ontzeggen, omdat hij in The God Delusion mijn gevoelsmatige vijandigheid tegenover iedere vorm van godsdienst, waar ik al langer mee rondliep, met rationele argumenten uitrustte. De belangrijkste daarvan is eigenlijk heel simpel: God wordt vaak opgevoerd als “simpele” verklaring voor het “ingewikkelde” universum, maar dat werkt, als je er goed over nadenkt, averechts. God zou zelf immers belachelijk ingewikkeld moeten zijn, en een verklaring dáárvoor wordt nooit gegeven: wie schiep de Schepper? God is zo ingewikkeld dat hij extreem onwaarschijnlijk is, terwijl de complexiteit van zoiets als de levende natuur eenvoudig te verklaren is aan de hand van de, makkelijk falsifieerbare maar nooit gefalsifieerde, evolutietheorie (die helaas maar al te vaak verkeerd wordt begrepen).

 

RUDY KOUSBROEK (1929 – 2010)

Voor mijn verjaardag – ik geloof mijn zestiende of mijn zeventiende – kreeg ik van mijn vader een bundel essays van Kousbroek, “Einsteins poppenhuis”. Ik moest even aan de materie wennen; aanvankelijk begreep ik weinig van Kousbroeks ingewikkelde filosofische verhandelingen. Inmiddels begrijp ik zijn schrijfsels heel wat beter, en vind ik dat hij een aantal ijzersterke punten maakt. Zijn ideeën over de fundamentele strijd tussen de rationele en de religieuze denktrant, en over de uiteenlopende misvattingen die in de basis allemaal door die laatste veroorzaakt worden, lopen als een rode draad door alles in “Einsteins poppenhuis” heen, en zijn van grote invloed op mij geweest, zoals duidelijk te zien is in mijn essay “De hemel, de heilstaat en de werkelijkheid”.

 

MAARTEN VAN ROSSEM (1943)

Van Rossem is hier een beetje een vreemde eend in de bijt. Zeker, hij is iemand die ik bewonder en tot voorbeeld stel, maar anders dan bij mijn andere “helden” heeft dat meer met stijl te maken dan met inhoud. Ik ken Van Rossem eigenlijk alleen van zijn televisieoptredens, waar hij steeds – en vaak tegen de stroom in, zoals na de 11-septemberaanslagen en tijdens de wereldwijde hype rond Obama – de stem van de rede, van de nuchterheid en van het relativeringsvermogen is. Van deze professionele doorprikker van zeepbellen heb ik, voorzover ik me kan herinneren, maar één ding gelezen: een voorwoord bij een bundel essays van...

 

JOOP DEN UYL (1919-1987)

Johannes Maarten den Uyl, econoom, politicus en intellectueel. Ook mijn bewondering voor “Ome Joop” heeft voor een groot deel met stijl te maken: zo is hij de beste redenaar die ik ooit heb gehoord. Den Uyl sprak langzaam, met een bijna poëtisch ritme. Ook dacht hij ontzettend goed na over zijn woorden, getuige zijn indrukwekkend nauwkeurige en omzichtige formuleringen.

 

Toch heeft Den Uyl me ook wel degelijk inhoudelijk geïnspireerd. Zijn essay “De smalle marge van democratische politiek” heeft me veel geleerd over de grenzen van de democratische rechtsstaat, en waarom we die moeten respecteren. En in “Liberalisme en socialisme als politieke bewegingen” reikte hij me een analyse aan van de drie hoofdstromen in de politiek (socialisme, liberalisme en conservatisme) en hun geschiedenis – een werkbaar alternatief voor de nogal warrige manier waarop we dit onderwerp op school, bij geschiedenis en maatschappijleer, uitgelegd hebben gekregen.

 

NAOMI KLEIN (1970)

Van niemand heb ik zoveel geleerd over hoe de wereld vandaag de dag economisch en politiek in elkaar zit, als van de Joods-Canadese schrijfster Naomi Klein. In No Logo beschrijft ze hoe grote multinationals zich sinds de jaren ’80 steeds meer zijn gaan richten op branding: het creëren van een mythe rond hun merk, het zich aanmeten van een “identiteit”. Het daadwerkelijke maken van spullen werd hierbij een ondergeschoven kindje. Klein laat zien wat voor gevolgen dit heeft gehad: op cultureel gebied wordt het steeds moeilijker om uitingen te vinden waar geen merk op staat, en op economisch gebied is het nog veel erger. Doordat productie steeds meer als een last, een noodzakelijk kwaad, werd gezien, verdwenen duizenden voorheen stabiele, goed betaalde banen met fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden bij de grote bedrijven zelf. De taken werden uitbesteed aan schimmige bedrijfjes in de “vrijhandelszones” in Afrika, Zuid-Amerika en het Verre Oosten, die – vaak met de zegen van corrupte of dictatoriale regimes – mensen voor een hongerloontje aan het werk zetten, zonder rechten, zonder zekerheid.

 

Nog veel belangrijker is haar boek The Shock Doctrine, een vernietigende ontmaskering van het neoliberalisme. Met feiten en cijfers laat ze zien dat de radicaal-kapitalistische ideeën van Milton Friedman en zijn volgelingen steeds een enorme denivellering tot gevolg hebben als ze in de praktijk worden gebracht: bittere ellende voor de meeste mensen, maar o zo lucratief voor een kleine elite (‘turning the already wealthy into the super-rich and the organised working class into the disposable poor’, zoals ze het zelf uitdrukt). Daarom gaan neoliberale hervormingen ook bijna nooit democratisch: ze worden een volk door de strot geduwd, hetzij door dictators, hetzij door handige technocraten die met allerlei trucs om democratische besluitvorming heen weten te komen. Dit staat lijnrecht tegenover het sprookje van “economische vrijheid” die nauw verbonden zou zijn met politieke vrijheid.

 

The Shock Doctrine werpt een compleet nieuw licht op de wereldgeschiedenis vanaf 1973 – van de Zuid-Amerikaanse dictaturen van Pinochet en Videla, tot het einde van de apartheid in Zuid-Afrika en het instorten van de USSR. Er is geen boek waarvan ik zo vaak zeg dat iedereen het zou moeten lezen.

 

Dat ik zoveel van Naomi Klein geleerd heb, komt misschien juist doordat ze zich niet al te veel met grote ideologische of filosofische vraagstukken bezig houdt; haar boeken zijn voor het grootste deel ijskoude journalistiek. Ze beschrijft met nauwelijks uitgesproken, maar daardoor des te bijtender sarcasme hoe de Britse en Amerikaanse pers over “democratische vernieuwing” schrijven terwijl parlementsgebouwen in brand worden gestoken, en over “economische groei” terwijl miljoenen mensen onder de armoedegrens terecht komen. Steeds lukt het haar om een nuchter inzicht in hoe de wereld werkt, te combineren met een vurige passie voor sociale en politieke rechtvaardigheid – een gave die ze deelt met...

 

GEORGE ORWELL (1903-1950)

Eric Arthur Blair, alias George Orwell, is toch wel de primus inter pares in dit rijtje. Van niemand heb ik zoveel gelezen als van Orwell; aan niemand probeer ik zozeer een voorbeeld te nemen als aan Orwell. Wat is er aan hem dat ik zo bewonder?

 

Ten eerste natuurlijk die combinatie van passie en nuchterheid waar ik het daarnet over had. Orwell was een skeptische socialist: precies wat ik ook wil zijn – zij het wat minder radicaal op dat tweede punt. En wat Popper met simpele redeneringen deed, deed Orwell met nuchtere waarnemingen: gewichtige onzin doorprikken. Ook voerde hij een niet aflatende kruistocht tegen onnauwkeurig en onnodig abstract taalgebruik, omdat het daarmee maar al te makkelijk was ‘to make lies sound truthful and murder respectable, and to give an appearance of solidity to pure wind.’ Ik denk dat hij, als hij een paar decennia later en aan deze kant van de Noordzee had geleefd, zich als bestrijder van “lulkoek” uitstekend thuis zou hebben gevoeld bij het Simplisties Verbond.

 

Goed, als romancier blonk hij niet uit – hij was een essayist in hart en nieren: ook in een boek als 1984 kan hij het niet laten om af en toe flink uit te wijden over hoe de samenleving van Oceanië in elkaar zit. Dat wil niet zeggen dat hij geen literaire kwaliteiten bezat. Zo is Homage to Catalonia een van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb; daarin weet hij zijn persoonlijke ervaringen in de Spaanse Burgeroorlog enerzijds, en zijn analyse van het politieke steekspel eromheen anderzijds, meesterlijk tot één coherent geheel te smeden.

 

Eigenlijk is het enige storende aan Orwells schrijven zijn gebrek aan humor – althans, voor sommigen is dit storend; ikzelf stoor me er totaal niet aan, en ben me er ook nu pas echt van bewust. Volgens opgetekende herinneringen van zijn vrienden en kennissen had Orwell een uitstekend gevoel voor humor, maar in zijn pennevruchten zie je daar weinig van terug. Of hij het nu over het Britse Rijk heeft, over Charles Dickens of over de ideale kroeg, het is bittere ernst van begin tot eind. Of toch, in Politics and the English Language komt een beetje humor voor, maar hij bespreekt het alleen, hij gebruikt het niet (om precies te zijn, hij stelt ‘weglachen’ voor als manier om betekenisloze clichés uit het taalgebruik te krijgen).

 

Maar juist die bloedserieuze toon past wel weer heel goed bij Orwell, die ervan overtuigd was dat all issues are political issues en overal een discussiepunt van maakte. En geef toe, veel van de dingen waar hij over schrijft – oorlog, dictatuur, indoctrinatie – zijn ook niet echt om over te lachen.

 

Enfin, dit was mijn persoonlijke Galerij der Groten wel zo’n beetje. Natuurlijk wil ik niet beweren dat ik al mijn ideeën van deze zes mannen en één vrouw heb, maar ze hebben wel een belangrijke basis gelegd. Ook zijn deze denkers uiteraard op hun beurt door eerdere intellectuelen geïnspireerd – anders zouden het socialisme, de wetenschappelijke methode en de godsdienstkritiek allemaal na 1900 moeten zijn uitgevonden. Nee, mijn helden zijn niet onfeilbaar of alwetend, ze zijn niet de bron van alle goeds op aarde, en ik ben het ook lang niet in alles met ze eens (ze spreken elkáár op sommige punten ook tegen). Maar zoals ik aan het begin al zei, vind ik het niet meer dan respectvol om duidelijk aan te geven door wie ik vooral geïnspireerd ben. Ere wie ere toekomt.

 

 

 

 

* Voor de wiskundig ongeletterden: een ‘asymptoot’ van een functie is een waarde waar die functie steeds dichter bij in de buurt komt maar die hij nooit precies aanneemt. Het simpelste voorbeeld is de functie y = 1/x, waarin y steeds dichter bij 0 komt naarmate je x groter maakt, maar nooit precies 0 wórdt (probeer het maar eens uit). De lijn y = 0 is een asymptoot van de functie y = 1/x.


22:40:48 02 December 2011 Permanente link Reacties (2)

Prettig Germaans


Er zijn inmiddels heel wat plekken in de wereld, of liever gezegd in Europa, waar ik geweest ben. Er zijn er nog veel meer waar ik nooit geweest ben, maar waar ik genoeg over gehoord en gelezen heb om een beeld te hebben van hoe het er ongeveer moet zijn.

 

Van kinds af aan heb ik onbewust de neiging om al die plekken in te delen in de categorieën “gewoon” en “exotisch”. De eerste categorie omvat gebieden die, qua cultuur en maatschappelijk model, lijken op wat ik gewend ben; de tweede de rest van de wereld. Ik denk dat iedereen wel zo’n indeling in zijn hoofd heeft, op een handjevol ultra-kosmopolitische “wereldburgers” na. Alleen ben ik er laatst eens bewust over gaan nadenken waar ik eigenlijk de grens trek – en volgens mij ben ik dáárin een van de weinigen. In gedachten kleurde ik een gebied op de kaart in dat voor mij “normaal” en “vertrouwd” aanvoelde.

 

De uikomst was opmerkelijk. Mijn “vertrouwde” gebied strekt zich uit van de poolcirkel tot de Alpen, en van de Severn tot de Oder. Ons land ligt er uiteraard helemaal in; Duitsland en Denemarken ook; Noorwegen en Zweden voor het grootste deel wel, maar zonder Lapland (waar de Lappen wonen, die ik behoorlijk exotisch vind) en het uiterste noorden (waar bijna niemand woont). Van Zwitserland hoort het Duitstalige deel erbij – de Frans en Italiaans sprekende Zwitsers verschillen ook cultureel sterk van hun germanofone landgenoten, weet ik uit ervaring. In Oostenrijk is de grens lastiger te trekken, omdat ik er slechts een paar keer kort ben geweest en er verder ook weinig van weet. En dan is er nog Engeland (niet te verwarren met Groot-Brittannië; ik neem Schotland en Wales uitdrukkelijk niet mee). Behalve het “Keltische” graafschap Cornwall in het uiterste westen, valt Engeland ook wel binnen mijn “vertrouwde zone”. Frankrijk, daarentegen, ligt er helemaal buiten, net als België – dat voelt voor mij toch altijd als een soort Italië-light.

 

Op het eerste gezicht een nogal warrige opsomming van landen en gebiedjes, maar er zit wel degelijk een lijn in. Mijn culturele thuis is niet “Europa”, laat staan “het Westen” (ik zou gillend gek worden van een maand in Amerika). Nee, het komt ongeveer overeen met het gebied in Europa waar Germaanse talen gesproken worden.

 

Is die Van Altenborg nou helemaal mal geworden, hoor ik u al denken. Alleen het woord ‘Germaans’ al roept immers onmiddelijk associaties op met de nazi’s, behalve als het over archeologie gaat. Daarom een paar opmerkingen om misverstanden te voorkomen.

 

Ten eerste gebruik ik het woord alleen in een culturele betekenis. Ik weet heel goed dat de genenpoel in Europa in onze tijd zo’n smeltkroes is dat er over Germanen, Kelten of Slaven als etnische groepen geen zinnig woord meer te zeggen valt. Ten tweede ben ik er niet op uit om welke cultuur dan ook als superieur aan andere culturen aan te prijzen; zoals ik hierboven een paar keer heb aangegeven, heb ik het slechts over wat mij vertrouwd is, waar ik me bij thuis voel, niet over goed of slecht. En ten derde bedoel ik met de “Germaanse cultuur” niet de cultuur van de oude Germanen; je zult mij geen verhaal horen ophangen over Wodan, Donar en Walhalla, zoals de laatste tijd in sommige kringen in de mode lijkt te zijn. Nee, ik denk dat er hele andere dingen zijn die we anno 2011 met elkaar delen binnen de Germaanse Kulturraum, om maar eens een mooi Duits woord te lenen.  Maar wat dan?

 

Het meest voor de hand liggende aspect is natuurlijk de taal: we spreken eigenlijk allemaal Duits, Deens of een raar dialect van één van die twee. Ook het Engels is een variant op het Duits, alleen is het daarbij minder zichtbaar, omdat er sinds de invasie van Willem de Veroveraar en zijn Normandiërs ook heel veel Franse, Griekse en Latijnse woorden in terechtgekomen zijn. Maar naast de taal zijn er ook overeenkomsten in mentaliteit. Waarden als stiptheid en efficiëntie staan overal in “Germanië” hoog in het vaandel, veel meer dan in Romaanse landen als Spanje of Italië.

 

En dan de maatschappij: die is aangeharkt en stabiel. De democratie doet het over het algemeen prima, en gaat niet gebukt onder al te veel corruptie, extremisme of politiek geweld. De sociale tegenstellingen zijn klein, dankzij uitgebreide verzorgingsstaten – het “Rijnland-kapitalisme”, of het nog genereuzere Zweedse model. Net als op het punt van de taal is Engeland hier een beetje een vreemde eend in de bijt: het heeft een relatief grote kloof tussen arm en rijk, en de democratie draait er niet op evenredige vertegenwoordiging maar op een districtenstelsel. Dit soort verschillen hebben ongetwijfeld te maken met zijn geïsoleerde ligging en dito houding. Maar toch kent de Engelse maatschappij een basale rust en aangeharktheid, een gentleness, die je in pak-em-beet Frankrijk niet aantreft en in Duitsland of Zweden wel.

 

De sociale, politieke en economische problemen van grote landen als Duitsland en Engeland zijn weliswaar wat groter dan de onze, maar ze vallen mee in vergelijking met die in Zuid- of Oost-Europa. Om het anders te formuleren, heb ik overal in de Germaanse landen en streken het gevoel dat het allemaal goed geregeld is. Het land wordt bestuurd en de wegen worden onderhouden (er is een reden dat ik België er niet bij vind horen). De treinen rijden in het algemeen op tijd, het vuilnis wordt opgehaald en de armen worden geholpen. En dát voelt veilig, vertrouwd, “net als thuis”.

 

Dus naast Nederlander voel ik me toch ook wel een klein beetje Germaan – en dat heeft niets met Wodan te maken, laat staan met Hitler.


22:39:24 02 December 2011 Permanente link Reacties (0)

De hemel, de heilstaat en de werkelijkheid


I think all the great religions of the world - Buddhism, Hinduism, Christianity, Islam and Communism - both untrue and harmful.

BERTRAND RUSSELL, 1957

 

Ik heb bepaalde extreem-linkse en -rechtse ideologieën al vaker met godsdiensten vergeleken, en zoals het citaat hierboven laat zien, ben ik de eerste niet. Rudy Kousbroek wijdt in zijn essay “Hermans en Wittgenstein” (1990) een lange passage aan de beschrijving van ‘een religieuze manier van denken’, en schrijft direct daarna: ‘Ik hoef, neem ik aan, niet te verduidelijken hoe het daarstraks aangeduide religieuze wereldbeeld telkens opnieuw gereproduceerd wordt in de vorm van totalitaire ideologieën (de foutloze wereld waarvan de komst wordt uitgesteld of geblokkeerd door het kwaad). Concentratiekampen en vuurpelotons worden niet in het leven geroepen door mensen die op rationele wijze een probleem proberen op te lossen, maar door mensen die het kwaad proberen uit te roeien.’

 

Dit vind ik een van de aardigste citaten van Kousbroek, en hij heeft zeker een punt: van het Derde Rijk tot de USSR en Mao-China, de grote totalitaire regimes van de vorige eeuw wisten het blinde geloof en de gesloten denkcirkels die we van de godsdienst kennen, tot griezelige nieuwe hoogten te stuwen. Maar geldt het omgekeerde ook? Heeft religie van zichzelf iets totalitairs?

 

Ik denk van wel. Specifieker geformuleerd: religie, in de vorm zoals we die van het christendom, het jodendom en de islam kennen, heeft een aantal elementen in zich die typisch totalitair zijn.

 

Maar voordat ik verderga, wil ik even de definitie van het totalitarisme ophalen, voor degenen die er niet bekend mee zijn. Totalitarisme betekent dat de staat volledige controle probeert te krijgen over ieder aspect van het leven van zijn burgers (vandaar ‘totaal’). Zoals Mussolini, een van de grondleggers, het verwoordde: ‘Alles binnen de staat, niets buiten de staat, niets tegen de staat.’ Het bedrijfsleven is ingelijfd bij het staatsapparaat; alle kranten en omroepen staan onder controle van de regering; en de staat bemoeit zich ook met wat wij ‘privézaken’ zouden noemen: dingen als kunstsmaak en seksuele moraal worden van bovenaf gedicteerd. In het totalitaire model bestaat er geen vrijheid, op geen enkel terrein. Niet alle dictaturen zijn totalitair – de meeste zijn er slechts op uit om een oneerlijke verdeling van macht en welvaart in stand te houden, en doen niet aan ideologie behalve als flinterdunne dekmantel voor dat doel – maar uiteraard is een totalitaire staat wel per definitie een dictatuur.

 

Hoe dan ook, in de woorden ‘ieder aspect van het leven’ hierboven ligt de eerste parallel met religie besloten. Pretenderen godsdiensten immers niet óók om overal iets over te zeggen te hebben? Kijk naar Amerika, dat – in meerdere betekenissen van het woord – stikt van de christelijke lobbygroepen. Of het nu over de zorg gaat (abortus en euthanasie), de wetenschap (evolutie), het onderwijs (seksuele voorlichting), de geschiedschrijving (al dan niet christelijke grondslagen van de Amerikaanse grondwet) of zelfs over het liefdesleven van mensen (homohuwelijk), als iets niet in Gods straatje past, doen Zijn volgelingen er luidruchtig hun beklag over bij de politiek, net zo lang tot ze hun zin krijgen. In de islamitische theocratieën, waar dit soort figuren niet het gezag onder druk zetten maar het gezag zijn, is het uiteraard nog vele malen erger. Alles binnen de godsdienst, niets buiten de godsdienst, niets tegen de godsdienst.

 

En dan die God wiens wil moet en zal geschieden op aarde. Hij is almachtig en onfeilbaar. Hij is de ultieme autoriteit, zonder wiens zegen niets door mag gaan. En denk niet dat je dat kunt omzeilen door je zondige lusten stiekem, op een geheime plek bot te vieren, want Hij ziet je. Hij ziet alles. Je wordt als gelovige dan ook geacht om een beetje bang te zijn voor Zijn strenge oordeel – hoe bang precies hangt af van hoe streng in de leer je bent. Aan de andere kant verwachten Hij en Zijn priesters ook weer van je dat je Hem liefhebt en vertrouwt.

 

Tel daar nog eens bij op dat het nooit helemaal zeker vast te stellen is of Hij nu echt bestaat of een verzinsel is, en de gelijkenis met Big Brother kon bijna niet groter zijn.

 

1984 is een interessant boek als we het over totalitarisme hebben. In die dystopie is immers de totalitaire manier van denken tot in het uiterste doorgetrokken – door een ervaringsdeskundige, want Orwell leefde in de hoogtijdagen van communisme en fascisme, en analyseerde voortdurend de stortvloed aan propaganda die hij las en hoorde.

 

Ik wil in dit verband ook de aandacht vestigen op de vierde paragraaf van het essay Looking Back on the Spanish War (1942), die leest als een soort voorstudie voor 1984. Orwell heeft het over propaganda waarin niet alleen wordt gelogen over wat er gebeurd is, maar gebeurtenissen compleet verzonnen worden: ‘history being written not in terms of what happened but of what ought to have happened according to various “party lines”.’ Hij zegt dat ‘this kind of thing is frightening to me, because it often gives me the feeling that the very concept of objective truth is fading out of the world’, om uiteindelijk het vooruitzicht te schetsen van ‘a nightmare world in which the Leader, or some ruling clique, controls not only the future but the past. If the Leader says of such and such an event, ‘It never happened’ – well, it never happened. If he says that two and two are five – well, two and two are five.’

 

Bij dat laatste zinnetje moet ik denken aan een gesprek dat ik een keer had met een streng christelijk meisje, dat op de middelbare school zit waar ik ook op heb gezeten. Nadat zij de evolutietheorie een ‘leugen van Satan’ had genoemd, legde ik haar uit dat die theorie was gebaseerd op de wetenschappelijke methode. En ik vroeg haar: kennelijk vertrouw jij die methode en haar uitkomsten niet, maar hoe wil je dan ooit iets over de wereld te weten komen? Wat is in vredesnaam het criterium waarmee je onderscheid maakt tussen ‘waar’ en ‘niet waar’, als het niet het experiment is? Haar antwoord was kort maar krachtig: ‘De Bijbel.’

 

If the Bible says that two and two are five – well, two and two are five.

 

En hoe je dan ook op zo iemand in praat, hoeveel Bijbelverzen je ook oplepelt die aantoonbaar onjuist zijn of met elkaar in tegenspraak, het haalt allemaal niets uit. O, dat vermogen om alle tegenstrijdigheden in je denkbeelden, alle tegenargumenten, alle bewijzen dat je het misschien niet helemaal bij het rechte eind hebt “weg te geloven”! Die weigering om rationeel naar je eigen ideeën te kijken! Luther is er vrij duidelijk over: ‘Der Glaube muß alle Vernunft, Sinne und Verstand mit Füßen treten, und alles was er sieht aus den Augen setzen, und nichts außer Gottes Wort wissen wollen.’ Het klinkt zo aggressief, dat ik het Hitler zo kan horen zeggen, op zijn hysterische toon en met zijn vette Oostenrijkse accent. Vervang Gottes Wort door des Führers Wort en het komt ook qua inhoud akelig dicht in de buurt.

 

Nu leven we gelukkig niet meer in de tijd van Luther, en zijn er zeker in een “verlicht” land als het onze duizenden christenen te vinden die de Bijbel níet van kaft tot kaft als absolute waarheid aannemen. (Over de stukken die ze niet al te letterlijk nemen, zul je ze trouwens nooit horen zeggen ‘nee inderdaad, dat is onzin’; nee, ze zeggen met een zalvende glimlach dat je die ‘symbolisch moet opvatten’ en dat het ‘zulke mooie verhalen zijn.’ Over de minder mooie verhalen, de slachtpartijen, brandschattingen en verkrachtingen, hebben ze het liever niet). Toch blijft een soort (selectieve) onwil om kritisch na te denken aan de grondslag liggen van het geloof – het is er zelfs onmisbaar voor, zoals ik dadelijk zal uitleggen.

 

En daarmee zijn we weer terug bij 1984. De leden van de Partij worden van jongs af aan getraind in doublethink – het vermogen om twee tegenstrijdige dingen tegelijk te vinden, en om feiten te kennen die een theorie duidelijk tegenspreken en toch die theorie aan te blijven hangen.

 

Dat griezelige uitschakelen van Vernunft, Sinne und Verstand zien we ook terug in totalitaire staten in de echte wereld. Mannen als Hitler, Stalin en Mao wisten alles en hadden altijd gelijk, en voor hun trouwste volgelingen was het al snel psychologisch onmogelijk om daaraan te twijfelen. Deze manier van denken leidt vanzelfsprekend tot de ‘gesloten denkcirkels’ waar ik het in de inleiding al over had: zo houden communistische apologeten tot op de dag van vandaag vol dat het in China en de USSR zo mis ging omdat Marx’ ideeën niet grondig genoeg werden toegepast. Als onze theorie niet werkt, zo is de totalitaire gedachtengang, moeten we onze theorie niet aanpassen, maar hem juist nog krachtiger in de praktijk brengen.

 

Aan de andere kant van het politieke spectrum zien we de neoliberaal Milton Friedman en zijn volgelingen op precies dezelfde manier te werk gaan – net als Marx zo’n 130 jaar eerder hingen zij hun economische theorie aan als een religie maar presenteerden ze hem als exacte wetenschap. En toen duidelijk werd dat Friedmans ideeën in de praktijk tot massale werkloosheid en armoede leidden, was ook zijn advies: meer van hetzelfde. Nog sneller, harder en meedogenlozer moesten zijn plannen worden doorgevoerd, en dan zou de kapitalistische heilstaat, de “natuurlijke” economie zonder “verstoringen”, vanzelf wel werkelijkheid worden. Regeringsleider na regeringsleider slikte het voor zoete koek. De gevolgen laten zich raden, en zijn in veel landen ook maar al te goed zichtbaar.

 

Maar goed, ik dwaal af. Ik heb nu genoeg voorbeelden gegeven van totalitaire elementen in de religie – of religieuze elementen in het totalitarisme, want zo kun je de drie overeenkomsten die ik hierboven schets (bemoeienis met alles, geloof in een almachtige en alwetende leidersfiguur, en denken in gesloten cirkels) natuurlijk ook opvatten. Wat is nu de conclusie? Is religie totalitair? Is totalitarisme religieus? Ik zou nog eindeloos door kunnen gaan over de overeenkomsten en verschillen tussen de twee, maar volgens mij gaat dat voorbij aan de essentie: het zijn twee koppen van dezelfde draak.

 

Atheïsme tegen religie, democratie tegen totalitarisme, Verlichting tegen Romantiek, gradualisme tegen revolutie, wetenschap tegen spiritualiteit, nuchtere politiek tegen populisme: uiteindelijk is het allemaal hetzelfde gevecht. Natuurlijk zijn de verschijningsvormen, de motieven en de situaties steeds anders, maar aan al deze conflicten ligt de strijd tussen een rationele en een anti-rationele wereldbeschouwing ten grondslag.

 

De belangrijkste vraag daarbij is steeds hoe je met het probleem van de ‘onvolmaakte werkelijkheid’ omgaat. De werkelijkheid is nooit perfect; wat je overtuigingen ook zijn, er zal altijd wel iets zijn dat je liever anders zou willen, als jij het voor het zeggen had. De werkelijkheid is ook razend ingewikkeld, en laat zich lastig vangen in mooie verhalen over Goed en Kwaad, of nog mooiere wetten die het onafwendbare verloop van de geschiedenis beschrijven.

 

Dat is gegeven, maar wat doe je ermee? De rationele manier is om je erbij neer te leggen, en te proberen er het beste van te maken. Je zet een klein stapje hier, en een klein stapje daar (wat Popper zo mooi piecemeal engineering noemde) in de richting van jouw idealen. Je erkent dat je die idealen nooit helemaal zult kunnen verwezenlijken, daar zijn het ook idealen voor – niet voor niets worden ‘ideaal’ en ‘reëel’ vaak als tegenovergestelden gebruikt. En, dit is heel belangrijk, je kunt je idealen bijstellen als je waarnemingen of redeneringen daar aanleiding toe geven. Ook de manieren waarop je je idealen in de praktijk brengt, de ‘stapjes’ die je neemt, verander je als blijkt dat ze niet het gewenste resultaat opleveren.

 

De anti-rationele manier is om een soort fantasiewereld te construeren die dat alles wél heeft. Goed en kwaad zijn duidelijk aan te wijzen, een perfecte wereld is mogelijk, en de geschiedenis verloopt volgens prachtige theorieën. Op de punten waar die fantasie in botsing met de werkelijkheid komt, stel je niet de fantasie bij, maar negeer je de werkelijkheid – de geschiedenis leert dat dit al snel bijna automatisch gaat. En als het met die perfecte wereld maar niet wil vlotten, geef je de schuld aan saboteurs, verraders, spionnen van het Kwaad (dat in jouw fantasiewereld immers bestaat) – de geschiedenis leert dat dit maar al te vaak gepaard gaat met moord- en martelpartijen; daar verwees Kousbroek uiteraard naar met dat zinnetje over concentratiekampen en vuurpelotons dat ik aan het begin citeerde.

 

Ik heb door deze tekst heen over het algemeen een nogal versimpelde en uitvergrote versie van “de gelovige” besproken, die helaas in grote delen van de wereld in de meerderheid is. Natuurlijk lopen er in Gods weiland ook een heleboel gematigde schapen rond, die niet automatisch naar hun herders luisteren. En zo is het met dat hele conflict dat ik hierboven schets: er is geen zwart-witindeling te maken in “rationalisten” en “gelovigen”; de perfecte rationalist bestaat niet en de perfecte gelovige al evenmin, hoewel er aan beide kanten mensen zijn die er wel erg dicht in de buurt komen. Dat gezegd hebbende, wil ik mijn ideale rationalist en mijn ideale gelovige nog één keer opvoeren.

 

Het vergaren van kennis over de wereld, en het opdoen van ideeën over wat er verbeterd zou kunnen worden aan die wereld, zou ik willen vergelijken met het bouwen van een huis. De rationalist bouwt een solide houten huis, waar hij voortdurend dingen aan verandert en verbetert om het steviger en leefbaarder te maken. Wat bouwt de gelovige? U voelt hem al aankomen, een kaartenhuis. Hij blijft ook steeds volgens zijn oorspronkelijke blauwdruk bouwen, en weigert koppig om zijn ontwerp bij te stellen. Hij weet dat een klein duwtje – in deze vergelijking symbool voor een kritische vraag – het kaartenhuis kan doen instorten. Daarom bouwt hij er een stenen muur omheen, waar niets doorheen kan. Zoals we hierboven gezien hebben, neemt die muur verschillende vormen aan: van een beleefde weigering om in discussie te gaan tot bedrog, intimidatie en zelfs geweld. Maar de gelovige zit zelf binnen de muur, en als hij het niet kan laten om hier en daar een kaart een klein zetje te geven, dan stort het kaartenhuis alsnog in. Dáárom is een al dan niet selectieve uitschakeling van het eigen kritische denken zo belangrijk voor het geloof, in al zijn verschijningsvormen.

 

Enfin, de strijd tussen de rationele en de anti-rationele instelling is de belangrijkste intellectuele strijd die ik ken, veel fundamenteler dan bijvoorbeeld die tussen links en rechts. Daarmee wil ik niet zeggen dat het in de actuele politiek belangrijker is om stevig van leer te trekken tegen het geloof dan tegen, zeg, de VVD; de laatste veroorzaakt hier te lande veel meer, concretere en urgentere problemen. Maar het is wel zo dat we, als we constructief aan het debat willen deelnemen, de gelovige in onszelf de nek moeten omdraaien – want alleen met Vernunft, Sinne und Verstand kunnen we de echte wereld echt verbeteren.


22:38:13 02 December 2011 Permanente link Reacties (3)

Een jaar in de loopgraven


Wat is een intellectueel? Het is een vraag waar in de loop der jaren honderdduizend verschillende antwoorden op gegeven zijn. Ikzelf heb er ook een tijdje over zitten peinzen, en ik zou de volgende definitie willen geven: iemand die zich bezighoudt met vraagstukken die het hier en nu overstijgen, en daar door redeneren een antwoord op probeert te vinden. De vraagstukken in kwestie kunnen van allerlei aard zijn (politiek, cultureel, filosofisch, wetenschappelijk...), en veel intellectuelen houden zich met allerlei verschillende terreinen tegelijk bezig. Dat ‘redeneren’ in de definitie is trouwens essentieel: wie zomaar een antwoord uit zijn duim zuigt (hiervoor zijn eufemismen als “spiritualiteit” en “esoterie” in zwang), is voor mij geen intellectueel.

 

Nu kan er over deze definitie eindeloos gediscussieerd worden – wat op zich ook weer een intellectuele activiteit is – en is er geen heldere lijn te trekken die ‘de intellectuelen’ van de rest van de mensheid scheidt (wat ik als bèta uiteraard vervelend vind). Nog leuker wordt het als we het over de ‘normen en waarden’ van het intellectueel-zijn gaan hebben: daar is helemáál niemand het over eens. Toch denk ik dat er een aantal min of meer objectieve maatstaven zijn aan de hand waarvan we ‘goede’ en ‘slechte’ intellectuelen uit elkaar kunnen houden, onafhankelijk van hun opvattingen.

 

De belangrijkste hiervan lijkt me eerlijkheid. Als intellectueel kun je over drie dingen liegen: de feiten, je eigen mening, en je redenen om die mening aan te hangen. Afhankelijk van de context wordt het eerste meestal ‘propaganda’ of ‘revisionisme’ genoemd, het tweede ‘beleefdheid’ of ‘slijmen’ en het derde ‘corruptie’ of ‘belangenverstrengeling’. Althans, als het bewuste leugens zijn; alledrie de varianten komen ook vaak voor in onbewuste vorm, d.w.z. dat de “leugenaar” niet alleen anderen voor de gek houdt, maar ook zichzelf. Hoe dan ook, in bewuste vorm is dit een doodzonde, in onbewuste vorm gewoon slordig. Een goede intellectueel dwingt zichzelf altijd tot eerlijkheid, en kijkt kritisch naar zijn eigen denkproces, niet alleen naar dat van anderen.

 

Die kritische blik is ook een belangrijke intellectuele deugd. En er zijn er nog wel meer: zuiver redeneren, helder formuleren, aandachtig naar je discussiepartners luisteren... ik kan nog een hele tijd doorgaan. Maar ik wil hier niet “Van Altenborgs richtlijnen voor de intelligentsia” gaan opstellen; ik concentreer me liever op een paar punten waar mijn opvattingen over ‘intellectuele normen en waarden’ nogal af schijnen te wijken van de communis opinio.

 

Het is nu ruim een jaar geleden dat ik met dit weblog begon. In ‘vraagstukken die het hier en nu overstijgen’ was ik altijd al geïnteresseerd, en tegen die tijd had ik mijn antwoorden wel zo’n beetje bepaald en ook de broodnodige nuchterheid en scepsis aangeleerd. De intellectueel in mij was, kortom, klaar om de wereld te bestormen. Mijn oorspronkelijke plan was om over ‘politiek, muziek, literatuur en meer’ te schrijven, en mijn schrijfstijl was – om de naam “Stijl”, uiteraard gekozen als plaagstoot naar “GeenStijl”, eer aan te doen – behoorlijk formeel. In de praktijk bleek echter al snel dat bijna alle onderwerpen waar ik iets interessants over kon schrijven, op de een of andere manier politiek waren; ook begon ik me langzaam maar zeker te realiseren dat een erg formele schrijfstijl mijn punt niet helderder maakte en mijn argumenten niet sterker.

 

En dat is nou juist het doel van ieder essay op dit blog: een punt maken, onderbouwd met argumenten. Ik ben een betoger, geen beschouwer; en dát is waar ik afwijk van wat een intellectueel geacht wordt te zijn. De consensus is immers dat het “intellectueler” is om stil voor je uit te zitten staren, eindeloos nadenkend over abstracte filosofische vraagstukken die alleen jij begrijpt, dan om een duidelijke mening te hebben en die van de daken te schreeuwen. Een fel betoog heeft iets ordinairs, het is iets voor niet-verlichte geesten. Vandaar ook dat de opiniepagina’s van een krant naarmate die krant meer pretenties heeft, meer beschouwingen en minder betogen bevatten: vergelijk de NRC maar eens met de Volkskrant.

 

Ik deel die consensus niet. Integendeel, ik beschouw het juist als een intellectuele deugd om een uitgesproken mening te hebben en die vurig te verdedigen. Ik ben een man die zich ergert, hoe vervelend al die “verlichte” figuren dat ook vinden; ik erger me aan ieder schijnbaar onschuldig stukje onzin. Dit is voor mij, ik herhaal het nog maar eens, een deugd, geen zonde. Ik reken dan ook nogal wat mannen-die-zich-ergeren tot mijn grote voorbeelden, met name Rudy Kousbroek, Maarten van Rossem en mijn allergrootste held, George Orwell, wiens vrienden over hem zeiden dat hij ‘zijn neus nog niet kon snuiten zonder een heel betoog af te steken over de arbeidsomstandigheden in de zakdoekenindustrie.’

 

Ik heb het huidige politieke klimaat meerdere malen met een loopgravenoorlog vergeleken, en ik ben niet de enige – we maken nu immers een polarisatie mee die Nederland bijna een kwart eeuw niet gezien heeft. (De vorige keer duurde die polarisatie trouwens 23 jaar, als we de Nacht van Schmelzer als beginpunt nemen en de formatie van Lubbers III als eindpunt; ik ben benieuwd hoe lang het deze keer gaat duren). Die loopgraven-vergelijking is bijna altijd min of meer neerbuigend bedoeld: kijk die primitievelingen elkaar eens afmaken. Er is, anders gezegd, meer respect voor de oorlogsverslaggever dan voor de frontsoldaat, en nog het meest voor de burger die vanaf een veilige plek hoofdschuddend toekijkt. Bij mij is het precies andersom. Ik zeg niet dat we geen oorlogsverslaggevers nodig hebben, en ik kan zelf ook prima observeren, relativeren en nuanceren. Maar uiteindelijk blijf ik toch een schrijvende soldaat, met een onbedwingbare neiging om kachels aan te maken en vloeren aan te vegen. Voor mij betekent “intellectueel-zijn”: vechten. Vechten met passie, tegen onzin en onrecht.

 

En dan is er nog dat andere punt: de ‘abstracte filosofische vraagstukken’ waar mijn ‘beschouwer’ zich mee bezig hield. ‘Dieper is beter’, lijkt het credo te zijn, wat helaas maar al te vaak verward wordt met ‘vager is beter’. Dit laatste idee zien we natuurlijk terug in de moderne kunst (inclusief de literatuur); niet voor niets is ‘het zal wel kunst wezen’ een veelgehoorde reactie op dingen die nutteloos en onbegrijpelijk zijn.

 

Nu heb ik niets tegen diepgang. Zonder diepgang zou ik zelf ook een vrij waardeloos persoon zijn, aangezien ik in de “oppervlakkige” zaken des levens – de praktische aangelegenheden van het hier en nu – bepaald geen ster ben. Maar op een gegeven moment komt er een punt dat de discussie zó abstract is, dat er voor mijn gevoel niks zinnigs meer gezegd wordt over de tastbare werkelijkheid. Het grootste deel van de filosofie (dat wat Kousbroek ‘metafysische onzin’ noemde) ligt voorbij dit punt. En zelfs de filosofen die nog wél enigszins met beide benen op de grond blijven en die mij wél iets zeggen – mannen als Popper, wiens The Open Society and Its Enemies een grote vormende invloed op mij heeft gehad – kunnen soms zo wollig schrijven dat ik nauwelijks nog begrijp waar ze het over hebben.

 

Nu speelt hier ongetwijfeld ook mee dat ik een ijskoude bèta ben, met weinig geduld voor zweverigheid of vaag taalgebruik. Mijn instelling is die van de ingenieur, niet die van de wetenschapper en al helemaal niet die van de filosoof; ik doe dan ook een technische studie. Ik liet mijn boek voor analyse (een belangrijk wiskundevak) een keer zien aan een wiskundige, een goede vriend van mijn vader. Hij keek er even doorheen en mompelde dat ‘dit boek de wiskunde alleen uitlegt als gereedschap om problemen mee op te lossen.’ Daarop dacht ik: maar dat is toch ook alles wat de wiskunde is? Uit zijn toon viel echter op te maken dat de wiskunde volgens hem niet zoiets ordinairs was als een stuk gereedschap, maar iets hogers, iets diepers, iets abstracters.

 

En nu we het toch over wiskunde hebben: ik ging laatst een keer op zoek naar informatie over de wiskundige L.E.J. Brouwer, over wie Kousbroek zich in een van zijn essays erg positief uitlaat. Wikipedia wist mij te vertellen dat Brouwer ‘in zijn proefschrift ook schreef dat het principe van de uitgesloten derde (tertium non datur: er is geen derde (mogelijkheid)), dat wil zeggen iets is waar of iets is niet waar, correct was. Hierop kwam hij later terug. In latere jaren verwierp Brouwer dit principe en daarmee ieder bewijs uit het ongerijmde*.’

 

Ik was met stomheid geslagen. ‘Iets is waar of iets is niet waar’. Het zal mijn bekrompen ingenieursgeest wel zijn, maar in mijn beleving is daar – zeker in een wiskundige context – weinig discussie over mogelijk. Dit is een prima voorbeeld van waar ik het net over had: een discussie die zo abstract is dat er niks zinnigs meer gezegd wordt over de concrete werkelijkheid. Toch word je onder de intelligentsia (van willekeurig welk land) over het algemeen hoger aangeslagen als je je met zulke vaagheden bezighoudt, dan als je een fel betoog houdt over aardse zaken als de hypotheekrenteaftrek of het persoonsgebonden budget.

 

Het moge duidelijk zijn: ik denk er heel anders over. Ik houd juist veel meer van politiek dan van filosofie, en politiek gaat, hoewel sommigen het vergeten en anderen het bewust proberen te verhullen, nog altijd over broden op planken en daken boven hoofden. Geen filosofische verhandeling over de aard van de mens of de definitie van geluk kan daar iets aan veranderen. Ik vind het dan ook een slechte zaak om in het politieke debat al te veel met filosofische ideeën te gaan strooien. Zo had ik een keer een discussie met een vrouw die VVD stemde, en mopperde dat linkse partijen zo ‘betuttelend’ waren, omdat die ‘de mens zagen als een zwak en zielig wezen.’ Mijn reactie, die ik op dat moment helaas niet goed onder woorden wist te brengen, was: het interesseert me niet hoe je ‘de mens ziet’, uit de praktijk blijkt gewoon dat sommige mensen niet voor zichzelf kunnen zorgen, en ik vind het niet meer dan redelijk dat de overheid die mensen helpt.

 

Het omgekeerde, d.w.z. een politieke benadering van filosofische ideeën, kan trouwens wél interessante resultaten hebben. Orwell bijvoorbeeld bracht zijn beruchte credo ‘All issues are political issues’ graag in de praktijk: zo verbond hij in Nineteen Eighty-Four­ (en al eerder in essays) het idee dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat, met manipulatie van de werkelijkheid door een totalitair regime – en ik denk dat hij daarmee een verdomd goed punt had.

 

Maar genoeg zijpaadjes. Mijn punt lijkt me nu wel duidelijk. Ik ben van leer getrokken tegen twee merkwaardige ideeën over het intellectueel-zijn, namelijk a) dat een kalme, beschouwende mentaliteit je een betere intellectueel maakt dan een vurige passie voor je idealen, en b) dat je een betere intellectueel bent naarmate je je met diepere, abstractere vraagstukken bezighoudt. Ik vind in beide gevallen het tegenovergestelde. Om de loopgraven-vergelijking compleet te maken: ik vind dat je als intellectueel zélf de loopgraven in moet, moet vechten, met je laarzen in de modder moet staan... maar ook weer niet te diep in de modder.

 

 

 

 

*Een ‘bewijs uit het ongerijmde’ houdt in dat je een (vaak meetkundige) stelling bewijst door aan te nemen dat de stelling niet waar is, en vervolgens aan te tonen dat daar dingen uit volgen die helemaal niet kunnen (bijvoorbeeld dat de hoeken van een driehoek samen 270 graden zijn in plaats van 180). Logisch dus dat een wiskundige van het soort dat nog andere mogelijkheden ziet tussen ‘waar’ en ‘niet waar’, zo’n bewijs niet zou accepteren.


22:34:32 02 December 2011 Permanente link Reacties (0)

Waar de blanke top der duinen...


‘Waar de blanke top der duinen / Schittert in de zonnegloed / En de Noordzee vriend’lijk bruisend / Neêrlands smalle kust begroet...’ Het zijn de eerste regels van “Mijn Nederland”, een van de weinige patriottistische liederen die ons land heeft voortgebracht. De Britten hebben Land of Hope and Glory en Rule Britannia, de Amerikanen America the Beautiful, en wij hebben “Mijn Nederland”.

 

Ik vind het een prachtig lied, veel mooier dan het Wilhelmus. Hoewel ik dit laatste lied altijd uit volle borst meezing op de momenten dat dat gepast is (en mijn atheïstische trots bij ‘Mijn schild ende betrouwen...’ even inslik), doet de tekst me weinig meer sinds we die op de middelbare school bij Nederlands geanalyseerd hebben. Zuivere propaganda is het, zonder een greintje subtiliteit. En niet eens voor het vaderland of voor een ideaal, maar voor een persoon: Willem van Oranje. ‘Ik ben dapper, ik ben vroom, ik ben geweldig, sluit je bij mij aan!’ – dat is eigenlijk de enige boodschap die het Wilhelmus overbrengt, en die boodschap wordt er vijftien coupletten lang ingeramd. Nu ging het toen het lied verscheen niet bepaald denderend met Willems opstand, en is het te begrijpen dat Marnix van Sint-Aldegonde een krachtige oproep wilde doen aan ’s lands edelen om de prins te steunen, maar als volkslied vind ik het een nogal merkwaardige keuze. Enfin, het is nog altijd beter dan “Wien Neêrlands bloed door d’aad’ren vloeit”.

 

Maar dan “Mijn Nederland”. Het is een lied uit 1870; de muziek is van Richard Hol en de tekst is geschreven door Pieter Louwerse. Het wordt door sommigen met nationalisme en met extreem-rechts geassocieerd, omdat de NSB het graag zong; zonde, want de tekst zelf is van zulke smetten vrij.

De enige politieke overtuiging die expliciet uit de tekst spreekt, is koningsgezindheid: ‘Blijve ’t volk der Koninginne / Houw en trouw in nood en dood!’ (Onder Willem III was dit ‘Blijve ’t volk aan Wet en Koning / Houw en trouw in nood en dood!’) Verder is het een prettig neutraal lied; in tegenstelling tot in het Wilhelmus wordt er ook met geen woord over God gerept. Er spreekt vooral een grote liefde voor de, weliswaar niet bijzonder spectaculaire maar toch wel erg mooie, Nederlandse natuur uit: niet alleen voor de ‘blanke top der duinen’, maar ook voor het ‘lachend groen der heuvels’ en het ‘kleed der stille heide’. Ook de grote rivieren worden bezongen: ‘Waar langs rijk beladen velden / Rijn of Maas of Schelde stroomt...’

 

Vergelijken we die liefde voor de natuur met het “anti-natuurbeleid” van het huidige kabinet, en de ‘eendracht’ die Nederland volgens het lied ‘sterk en groot’ moet maken met de tweedracht die de PVV maar blijft zaaien, dan is het lied in het huidige politieke klimaat eerder links dan rechts. Althans, dat is míjn interpretatie; er zijn nog honderdduizend andere interpretaties mogelijk. Zoals ik eerder al zei, is het juist de neutraliteit van de tekst die dit lied zo mooi maakt. Met de uitzondering van het Republikeins Genootschap is “Mijn Nederland” een lied voor álle Nederlanders, links of rechts, gelovig of atheïstisch, autochtoon of allochtoon.

 

Bovenaan deze webpagina staat het refrein van The Red Flag uit 1889. Van al die oude socialistische strijdliederen is dit het enige dat ik echt overtuigd mee kan zingen, omdat er niets in staat waar ik het niet mee eens ben. Zo is het ook met “Mijn Nederland”: het is het enige vaderlandslievende lied dat ik uit volle borst kan zingen zonder me druk te maken om vervelende passages over ‘vreemde smetten’ of ‘God mijn heer’. Dit doe ik dan ook graag, want hoezeer ik er soms ook op mag mopperen, ik houd ontzettend veel van dit land.

 

 

 

 

 

P.S.: Het lied in kwestie is hier te vinden, met ondertiteling omdat de tekst hier en daar nogal moeilijk verstaanbaar is:

http://www.youtube.com/watch?v=AVtiNyKFjyY

Merk op dat er een fout in de ondertiteling zit: de tweede regel van het derde couplet is niet ‘Maak uw eendracht sterk en groot’, maar ‘Make u eendracht sterk en groot’ (voor degenen die de aanvoegende wijs niet snappen, dit betekent zoveel als ‘eendracht moet u sterk en groot maken’).


22:32:02 02 December 2011 Permanente link Reacties (0)

De tere kinderziel


Het is nog niet zo lang geleden dat ik achter het bestaan van het begrip ‘apologetiek’ ben gekomen. Voor degenen die (net als ik tot een paar maanden terug) het woord niet kennen: het betekent zoveel als, ‘poging om religieuze opvattingen met argumenten te verdedigen’. Het eerste wat me opviel aan dit woord, was uiteraard de gelijkenis met het Engelse to apologise – zich verontschuldigen, excuses maken. Alsof de apologeten eigenlijk wel weten dat ze zich ergens voor moeten verontschuldigen, dat ze zwaar in het defensief zitten, dat ze iets kroms recht aan het praten zijn.

 

Al sinds de begindagen van het christendom lopen er christelijke apologeten rond. Merkwaardig genoeg bloeide de apologetiek ook in de Middeleeuwen, toen de Kerk heel wat drastischer middelen had tegen wetenschappers die lastige vragen stelden dan een keurig betoog op papier. Misschien was het een soort sport voor monniken – die zullen zich, na 100 keer de Bijbel over te hebben geschreven, immers wel kapot hebben verveeld.

 

Die drastische middelen mochten overigens niet baten: er kwamen steeds meer van die zeurpieten, en de geestelijkheid moest tandenknarsend toezien hoe ze haar greep op de maatschappij verloor. Inmiddels vinden schokkend veel mensen dat de aarde rond is en om de zon draait, dat het heelal miljarden jaren oud is, en zelfs dat er helemaal geen Schepper aan te pas is gekomen! De brutaliteit!

 

Niet dat het christendom nu bij de pakken neer gaat zitten: het blijft zich dapper teweer stellen tegen atheïsten, skeptici, humanisten, rationalisten en al dat schoelje. Maar hoe? Brandstapels en martelkamers zijn inmiddels, althans in ons land, niet salonfähig meer – en daar komen de apologeten weer om de hoek kijken. Er blijkt zelfs een hele website ‘www.apologeet.nl’ te bestaan, waar alle stellers van lastige vragen van repliek worden gediend.

 

Dat is hard nodig, want, zo valt er te lezen op de startpagina, ‘veel christenen weten niet zo goed om te gaan met de kritische vragen die hen gesteld worden.’ De indruk ontstaat dat de dames en heren apologeten dat zelf ook niet zo goed weten – ze weren althans alle ‘kritische vragen’ af door aan te geven dat ‘Apologeet.nl niet is bedoeld als discussieplatform.’

 

Het ligt dan ook voor de hand dat de apologeten hun boodschap het liefst preken tegen een publiek dat géén kritische vragen stelt. En inderdaad is er op deze website een hele rubriek te vinden met ‘gastlessen basisschool’ waarin aan kinderen uit groep 5 en 6 wordt uitgelegd dat de evolutietheorie onzin is en dat er heus wel bewijs is te vinden voor de schepping. Laat dat even tot u doordringen: kinderen uit groep 5 en 6. De meesten van hen zijn acht of negen jaar oud.

 

Ik praat zelf niet graag met kleine kinderen; ik heb liever een gesprekspartner die iets intelligents terug kan zeggen. Maar de apologeten richten zich nu juist op kleine kinderen omdat die in de regel niets intelligents terugzeggen.

 

Stel dat een communist zijn zoontje van 9 uitlegt dat alle kwaad in de wereld de schuld is van de rijken. Of stel dat ik later kinderen krijg, en als ze 8 zijn een uitgebreid betoog tegen hen houd over het socialisme en waarom dat beter werkt dan het liberalisme. Mijn kinderen zullen er weinig van begrijpen, maar met een beetje geluk zullen ze alles voor zoete koek slikken. Zo werkt het ook met ‘lessen’ over evolutie en creationisme. Jonge kinderen denkbeelden voorschotelen die ze nauwelijks kunnen begrijpen, laat staan kritisch beoordelen, is niets meer of minder dan indoctrinatie. Het is triest, en ook wel een beetje eng, om te zien dat er groepen zijn die zich bij de verspreiding van hun ideeën daartoe verlagen. Dáárvoor zou een apology nou wel op zijn plaats zijn.


22:30:53 02 December 2011 Permanente link Reacties (0)

Het Hedwigepoldermodel


Ik kom vaak in Zeeuws-Vlaanderen. Van moederskant heb ik er veel familie wonen, en mijn vader op zijn beurt vond lange tijd dat de strandvakanties aan het Zwin de beste manier waren om mij en mijn twee halfbroertjes alledrie tevreden te houden. Het is een bijzondere streek. Overal kom je er de zware industrie tegen; als we onze “vloedforten” bouwden, bedoeld om zo lang mogelijk stand te houden tegen het wassende water van het Zwin, zagen we de haven van Zeebrugge in de verte. In de omgeving van Terneuzen zie je de chemische fabrieken van de Dow, en helemaal in het oosten de Antwerpse haven en de kerncentrale van Doel. En anders kun je altijd nog de Westerscheldedijk op lopen om naar de boten te kijken – grote logge dingen waar godzijdank nooit een designer aan heeft gezeten.

 

Tussen al die imposante bouwwerken van staal en beton strekt zich een landschap uit dat vrijwel helemaal uit akkers en weilanden bestaat. Ook zijn er opvallend veel dijken, het gevolg van een lange strijd tegen het water. In de Bosatlas waar ik mee opgroeide, stond bij de kaart van Zuid-Nederland als inzet een kaartje van Zeeland in de Middeleeuwen: een onoverzichtelijke warboel van kleine eilandjes. Het verschil met de huidige situatie is enorm; de landwinning zit de Zeeuwen, meer nog dan de rest van Nederland, in het bloed.

 

De Hertogin Hedwige-polder bij Hulst heeft dan ook al een tijdje een opmerkelijke bezienswaardigheid: borden met ‘Ontpolderen NEE’ langs de weg, in weilanden en op achterruiten van auto’s. Het sentiment is op zich begrijpelijk; wie in Zeeuws-Vlaanderen een polder vol laat lopen, moet zich voelen als een Franse generaal in de Eerste Wereldoorlog die zijn eigen prikkeldraad laat doorknippen en de Duitsers uitnodigt om zijn loopgraven te komen bekijken.

 

De rest van het verhaal is bekend. De Westerschelde moet uitgediept worden in het belang van de scheepvaart op Antwerpen; dit veroorzaakt natuurschade; er is afgesproken om de Hedwigepolder onder water te zetten (‘natte natuur’) ter compensatie; Balkenende IV morrelde wat aan die afspraak, zocht naar een andere uitweg; Rutte kiest steeds overtuigder de kant van de anti-ontpolderaars. Brussel (d.i. het Vlaams Gewest, België, én de EU) spreekt er schande van – er ligt immers een afspraak? En er zijn aan de Belgische kant van de grens immers al flinke kosten gemaakt voor de ontpoldering?

 

Dat kan allemaal wel wezen, hoor ik Henk Bleker al zeggen, maar ‘we willen het gewoon niet.’ Met een beroep op de sentimenten hierboven trekt hij triomfantelijk grijnzend zijn eigen plan. Het gerommel met de Hedwigepolder is typerend voor dit kabinet. Ik heb het er in een eerder essay over gehad dat dit kabinet weinig heel laat van het poldermodel; in de zorg, het onderwijs, het natuurbeheer en de kunst walst het over alle afspraken, adviezen, protesten en eerdere investeringen heen. In datzelfde essay noemde ik het kabinet ‘niet pragmatisch of professioneel, wel principieel en provinciaals.’ Eigenlijk geldt voor grote delen van het kabinetsbeleid wat een vriend van mij bijna een jaar geleden zei over de onderwijsplannen van Zijlstra: ‘ze doen niet eens een poging om het echt te onderbouwen – het is eerder van ‘wij zitten op onze troon in Den Haag en ons debiele woord zal geschieden.’’

 

Hoe ‘debiel’ dat woord is, daarover lopen de meningen uiteen, maar los daarvan vind ik het een zeer treffende analyse. Ik noem deze stijl van besturen het ‘Hedwigepoldermodel’. In het conflictmodel (denk aan Engeland en Frankrijk) vechten verschillende groepen in de samenleving een bittere strijd uit, deels op basis van inhoudelijke argumenten, deels van eigenbelang. Onderhandelingen lopen vaak muurvast en hervormingen gaan moeizaam. In het poldermodel gaan al die groepen met elkaar om de tafel zitten en komen ze uiteindelijk met een compromis waar niemand echt gelukkig mee is, maar waar ook niemand grote bezwaren tegen heeft. In het Hedwigepoldermodel legt de grootste groep haar wil (of dat nu het droog houden van een handjevol boerderijen betreft of het verhogen van de maximumsnelheid) volledig fact free op aan een nét iets kleinere groep, die hoofdschuddend toekijkt maar geen echte vuist kan maken.

 

Want laten we eerlijk zijn: onze oppositie tegen het kabinet-Rutte is tot zover belabberd geweest. Bij elk kabinetsplan dat niet op steun van de PVV kan rekenen, wordt er een beroep op onze mensen in de Tweede Kamer gedaan, die dan elke keer dreigen dat ze volgende keer ‘de telefoon een keer níet opnemen’ – maar toch nemen ze steeds weer braaf de telefoon op. En bij elke blunder van minister Hillen ‘raakt het geduld nu echt op’, maar er zijn nog geen moties tegen hem ingediend. Er wordt veel geblaft maar niet gebeten.

 

Een bijzonder schrijnend voorbeeld van onze verdeeldheid is de mislukte poging van GroenLinks en PvdA om voor de Statenverkiezingen met ‘vijf of tien gezamenlijke punten’ te komen. Iedereen kan de programma’s van GroenLinks en de PvdA (en de SP) voor willekeurig welke verkiezing, naast elkaar leggen en er twaalf gemeenschappelijke punten uit halen. Dit is één middagje werk. Dat het niet gelukt is om die overeenstemming officieel uit te dragen, kan alleen toegeschreven worden aan incompetentie en politieke onwil – die ik, onze eigen partijtop kennende, vooral bij de PvdA zou zoeken, hoewel onze partij ongetwijfeld ook enige blaam treft.

 

En nu we het toch over de PvdA hebben, we weten allemaal dat die partij in een diep dal zit. Ze kunnen maar niet kiezen tussen behoudend en vooruitstrevend links, rollen om de haverklap vechtend over straat, en hebben met Job Cohen een leider die het vast prima deed als staatssecretaris van Justitie was en als burgemeester van Amsterdam, en ongetwijfeld een goede premier zou zijn, maar totaal niet uit de verf komt als fractievoorzitter. Cohen is een bestuurder en geen volksvertegenwoordiger, en hij is als de boel bij elkaar houdende polderaar niet op zijn plek in de loopgravenoorlog die nu tussen links en rechts woedt.

 

De PvdA heeft dus geen geschikte leider en geen verhaal. (GroenLinks en de SP hebben wel een verhaal; D66 heeft geen verhaal maar wil dat ook niet, want het is een partij voor mensen die niet van verhalen houden). De ‘koerswijziging’ op het thema integratie – die kennelijk loos alarm was, want na een paar opgewonden krantenkoppen is het er snel doodstil over geworden – is een tragisch voorbeeld: een wanhopige poging om het volk weer achter de roos met de vuist te krijgen. Een rare sprong van een kat in het nauw. Het is treurig om de partij van Drees en Den Uyl in deze toestand te zien, maar zo is het wel.

 

Wij op onze beurt hebben ons geweldig verslikt in de missie naar Kunduz; telkens als er slecht nieuws over dit project is, en dat is er vaak, wordt er op ons gemopperd (veel meer dan op D66 en de ChristenUnie, die samen met ons ‘de telefoon opnamen’). De consensus is dat onze fractie het verschil niet heeft gezien tussen de ‘Haagse werkelijkheid’ en de echte werkelijkheid in Afghanistan – dat hakt erin. En tel daar de affaire-Mariko nog eens bij op. We hebben akelig veel krediet verspeeld. Dat is natuurlijk op termijn wel terug te winnen, maar nu is de aandacht meer op Kunduz en op Mariko gevestigd dan op al die geweldige plannen voor de toekomst, en het zal voorlopig ontzettend lastig zijn om daar iets aan te veranderen.

 

Aan D66, met de eeuwig belerende Pechtold die zich meer zorgen lijkt te maken om de vorm van het kabinetsoptreden dan om de inhoud ervan, wil ik hier weinig woorden vuil maken. Eigenlijk lijkt alleen de SP echt krachtig oppositie te voeren; maar ja, de SP, daar lacht het kabinet om. Die kunnen ze rustig negeren, want ze weten dat de Kamerleden van PvdA, GroenLinks, D66 en ChristenUnie te fatsoenlijk zijn om de hoorn op de haak te laten. Ook door de linkse intelligentsia wordt de SP doorgaans nauwelijks serieus genomen.

 

Maar goed, er gloort hoop, hier en daar. In Denemarken (waar GroenLinks de Socialistische Volkspartij heet en de SP merkwaardig genoeg juist de Rood-Groene Alliantie) heeft een ‘Rood Blok’ net de parlementsverkiezingen gewonnen, waardoor naar alle waarschijnlijkheid een eind komt aan de rechtse gedoogconstructie waar het kabinet-Rutte van is afgekeken. En hier te lande is tegen staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten een motie van afkeuring ingediend door PvdA, GroenLinks en SP vanwege haar plannen met het pgb, een dossier waarop het de afgelopen maanden wél is gelukt om een vuist te maken.

 

We kunnen wel effectief oppositie voeren, we durven alleen niet. Dat moet veranderen. Prik de onzin door waarmee het kabinet en de PVV ons overladen, en doe dat met veel kabaal. Als Wilders weer eens een verhaal houdt over ‘massa-immigratie’, ‘tsunami’s van islamisering’ en ‘de linkse elite’, slaakt die elite een vermoeide zucht en denkt: laat hem maar razen, wij verstandige mensen weten wel dat het niets met de werkelijkheid te maken heeft, maar het is zinloos om er tegenin te gaan want hij is toch niet voor rede vatbaar. We hebben ons murw laten beuken door een tweederangs circusartiest! We moeten nu eindelijk eens het lef hebben om net zo hard tegen Wilders te schreeuwen als hij tegen ons schreeuwt – maar dan met een verhaal dat wél klopt. Dat moeten we niet alleen in het parlement doen: begin een serieuze campagne tegen rechts, met posters, flyers en toespraken. En wie weet, als we hard genoeg schreeuwen en hard genoeg vechten en geen mogelijkheid onbenut laten om dit kabinet alle hoeken van beide Kamers en van het land te laten zien, wordt onze grote minderheid net als in Denemarken uiteindelijk een kleine meerderheid. Dan kunnen we het Hedwigepoldermodel in de prullenbak gooien, waar het thuishoort.


03:11:28 16 September 2011 Permanente link Reacties (0)

Vervelend, die democratie


Deze zomer (nu ja, zomer...) werkte ik bij wijze van vakantiebaan een paar weken in een fabriek. Ondanks verregaande automatisering werd er vooral simpel, fysiek werk gedaan, en de meeste van mijn collega’s waren dan ook niet bepaald intellectuele hoogvliegers. Nu is daar op zich niks mis mee, en ik raakte er vrij snel aan gewend; maar zelfs toen ik eenmaal geacclimatiseerd was, en wist tussen wat voor soort mensen ik me ongeveer bevond, schrok ik nog wel eens van de gesprekken die ik opving in de koffiepauze.

 

Neem de controverse over de Nijmeegse juwelier die jongeren van Antilliaanse en Marokkaanse afkomst niet meer in zijn winkel binnenliet. ‘Die hebben hier [in mijn zaak] niks te zoeken’, verklaarde de middenstander, die de maatregel had getroffen na vele overvallen door zulke jongeren, in de krant. ‘Die hebben hier niks te zoeken’, beaamde een van de vrouwelijke arbeiders, ‘die moeten ze terugsturen naar hun eigen land’. Jawel, mensen die hier geboren waren, wier ouders hier vaak zelfs geboren waren, ‘terugsturen naar hun eigen land’ als ze een misdrijf hadden gepleegd. Alsof Nederland niet hun land wás, en alsof men in Marokko op overvallers zat te wachten.

 

Maar dit viel nog mee. Het werd erger. Grote instemming was er over ‘mensen die aan kinderen zitten’; die moesten ‘helemaal in elkaar gerost’ worden, met een beloning voor degene die deze nobele taak op zich zou nemen. ‘Als zo iemand uit de gevangenis komt’, stelde een man voor, ‘moeten ze bekend maken waar en wanneer ze ‘m vrijlaten. Zo van: jongens, rammen maar.’ Ook de mysterieuze snelwegschutter zou deze behandeling moeten ondergaan.

 

Volksgerichten! Lynchpartijen! Op zulke anti-democratische sentimenten was ik niet voorbereid. Ik hield beduusd mijn mond; het had weinig zin om in mijn eentje met twintig luidruchtige mensen in discussie te gaan. ‘Smerig stelletje fascisten’, riep ik dan even later tegen een lege kleedkamer, om stoom af te blazen. Ik concludeerde dat er véél meer aandacht voor democratisch burgerschap nodig was in het onderwijs, en vooral op het vmbo. Hier waren immers mensen die tégen de democratie en tégen de rechtsstaat waren, maar het zelf niet doorhadden; ze wisten namelijk niet wat die begrippen inhielden.

 

Iemand van wie je mag verwachten dat hij dat wel weet, is Sybrand van Haersma Buma. Hij is fractievoorzitter in de Tweede Kamer, nota bene van een partij met ‘Democratisch’ in haar naam. Toch deed hij gisteren in de Volkskrant uitspraken waarvan de haren van iedere rechtgeaarde democraat recht overeind gaan staan. Om de eurocrisis te bezweren, pleit hij voor ‘een onafhankelijk systeem, een neutraal instituut’ dat moet ingrijpen ‘wanneer een land de begrotingsregels overtreedt’ en dat ‘kan opereren los van politieke druk en electoraal opportunisme.’ ‘Depolitiseren’, noemt Van Haersma Buma dat. Met andere woorden, hij wil een door niemand gekozen instituut, dat dus ook geen verantwoording hoeft af te leggen aan burgers (dat zou immers maar tot ‘electoraal opportunisme’ leiden), maar wel de macht heeft om een land ingrijpende economische maatregelen op te leggen.

 

Dit is Buma’s antwoord – en dat van steeds meer politici en topambtenaren door heel Europa – op een financiële crisis; het doet denken aan de manier waarop de Romeinse Republiek met een militaire crisis omging. Als de golven echt hoog gingen en de vijand stond voor de poorten, benoemden de consuls – met toestemming van de Senaat – een bestuurder die een half jaar lang in zijn eentje regeerde. Deze moest zijn verregaande bevoegdheden dan gebruiken om de vijand te verslaan. Hoe noemden de Romeinen zo’n tijdelijke alleenheerser? Een dictator, Latijn voor ‘gebieder’. Hier komt ons woord ‘dictator’ vandaan, en inderdaad leken deze figuren, met hun absolute macht, behoorlijk veel op dictators in de huidige betekenis van het woord. Wat Van Haersma Buma nu eigenlijk voorstelt, is een hele club van zulke Romeinse dictators voor de Europese Unie – met het verschil dat deze niet na een half jaar weg zullen gaan.

 

Dit is allemaal niet nieuw. Een gebrek aan democratie is al jaren de grootste weeffout van het Europese project, en om de zoveel tijd klinkt er een pleidooi voor nog minder democratie. (De roep om méér democratie klinkt niet heel vaak, en altijd in de vorm van zachtjes gemopper in plaats van een verontwaardigde schreeuw). In de huidige eurocrisis zijn zulke betogen voor ‘depolitisering’, en dus de-democratisering, niet van de lucht. En ook buiten de EU zijn dit soort ‘neutrale instituten’ sinds de jaren ’80 een favoriete tactiek van neoliberalen om een volk impopulaire – want voor de meeste mensen nadelige – economische hervormingen door de strot te duwen; denk aan de voorwaarden die het “onafhankelijke” IMF aan haar leningen koppelt.

 

De democratie ligt dus van twee kanten onder vuur: van onderaf door populisten, en van bovenaf door technocraten. Populisten maken handig gebruik van de eerder beschreven onwetendheid van hun achterban; zo probeert Wilders de betekenis van het woord ‘democratie’ steeds verder te verschuiven naar ‘ik krijg mijn zin’. (Nog zo’n woord waar hij zijn eigen definitie van hanteert is ‘demoniseren’: de PVV demoniseert aan de lopende band, het is haar belangrijkste retorische kunstje, maar roept dat ze ‘gedemoniseerd’ wordt als iemand eens stevige kritiek durft te hebben). De technocraten op hun beurt verbergen hun anti-democratische gezindheid onder een grote berg eufemistisch en ingewikkeld taalgebruik. Sybrand van Haersma Buma kan niet zeggen, ‘Ik wil dat er in de EU een door niemand gekozen instituut komt dat meer macht krijgt dan de parlementen van de lidstaten’, maar als hij het over ‘depolitiseren’, ‘een onafhankelijk systeem’, ‘een neutraal instituut’ en meer van dat soort vaagheden heeft, kijkt niemand raar op – zelfs de Volkskrant-verslaggever die hem min of meer kritische vragen stelde over zijn plan, repte met geen woord over de anti-democratische aard ervan. Het doet denken aan Orwells essay Politics and the English Language (1946):

 

‘Consider for instance some comfortable English professor defending Russian totalitarianism. He cannot say outright, ‘I believe in killing off your opponents when you can get good results by doing so.’ Probably, therefore, he will say something like this:

‘While freely conceding that the Soviet regime exhibits certain features which the humanitarian may be inclined to deplore, we must, I think, agree that a certain curtailment of the right to political opposition is an unavoidable concomitant of transitional periods, and that the rigors which the Russian people have been called upon to undergo have been amply justified in the sphere of concrete achievement.’’’

  

De twee bewegingen verschillen op kleine punten. Zo nemen de populisten, die van oudsher graag mopperen op de instituten van de parlementaire democratie, nu vooral de rechterlijke macht (‘D66’ers in toga’) op de korrel, terwijl de technocraten hun pijlen eerder op de wetgevende macht richten. Het zijn allebei min of meer rechtse bewegingen, maar de populisten zijn vooral conservatief geïnspireerd, de technocraten (neo)liberaal. De bewegingen versterken elkaar: met de hete adem van populisten in hun nek gaan Europese leiders domme dingen doen, het soort ‘electoraal opportunisme’ dat technocraten hoofdschuddend doet pleiten voor ‘onafhankelijke systemen’ – en omgekeerd zijn de anonieme, ondoorzichtige instituten van Brussel en Straatsburg, waar ‘het volk’ zich niet door vertegenwoordigd voelt en voor een groot deel inderdaad niet door vertegenwoordigd wórdt, een favoriete schietschijf voor populisten.

 

Toch denk ik dat de overeenkomsten tussen de bewegingen groter zijn dan de verschillen. In de basis is hun kritiek op de democratie namelijk hetzelfde: het gaat te langzaam. De populist wil het liefst zo snel mogelijk alle ‘mensen die aan kinderen zitten’ aan een boom zien hangen; de technocraat wil de ruimte om de grote hervormingen door te voeren waarvan hij denkt dat ze goed zijn voor de economie. Beiden zijn geïrriteerd, ongeduldig, ze willen aanpakken, doorpakken, opschieten. Dat mag allemaal niet van de democratie; die is er nu juist op ingericht om al te radicale veranderingen onmogelijk te maken. De achterliggende gedachte is dat slechte plannen dan minder voortvarend uitgevoerd kunnen worden; dat dat ook voor goede plannen geldt nemen we op de koop toe (we kunnen het er tóch niet over eens worden wat goede of slechte plannen zijn).

 

Dat idee lijken de belagers van de democratie uit het oog verloren te zijn. Toch voelen ze aan dat het begrip ‘democratie’ een soort heilige status heeft; hun kritiek heeft dus iets stiekems, iets heimelijks, en dat is de reden waarom ze de hierboven vermelde retorische trucs gebruiken: de populisten keren de betekenis van het woord om, de technocraten draaien om de hete brij heen.

 

Democratie is niet makkelijk. Democratie is ingewikkeld, stroperig en vermoeiend. Democratie is vaak niet eens léuk: zo hebben we sinds Den Uyl geen kabinet meer gehad dat ik persoonlijk zou hebben gesteund, om van het huidige kabinet nog maar te zwijgen. Op het eerste gezicht lijkt de conclusie simpel: weg met de democratie! Maar daarin schuilt precies het gevaar van het afgaan op eerste indrukken. Denk er eens wat langer over na, beschouw de principes waarop al die ‘vervelende’ regels en instituten op zijn gebouwd, en beschouw vooral de alternatieven.

 

Er is een beroemd Duits lied, Die Moorsoldaten, dat geschreven is door gevangenen in concentratiekamp Börgermoor, in de eerste jaren van het Derde Rijk. Politieke gevangenen waren het, door de nazi’s opgesloten vanwege hun socialistische of communistische ideeën. Ik vind het een prachtig lied, met een groot vermogen om beelden op te roepen: als ik het opzet, zie ik ze voor me, de Moorsoldaten. Ik zie het kamp voor me met het prikkeldraad, en ik zie hoe de gevangenen met hun spades de heide op komen marcheren. Ik zie ze graven, het zweet gutsend over hun voorhoofd, onder toeziend oog van SS’ers met bajonetten. Het is ook een emotioneel lied, dat de wanhoop en de ellende van de gevangenen indringend overbrengt.

 

Luisterend naar dat lied raak ik er steeds weer van doordrongen, op een heel basaal, emotioneel niveau, hoe erg dictatuur is; het idee dat een politieke overtuiging met de bajonet opgedrongen kan worden, en dat mensen met ándere overtuigingen worden opgesloten, gemarteld of vermoord... met andere woorden, het recht van de sterkste, vervult mij, en naar ik mag hopen de meeste Nederlanders, met een diepe weerzin.

 

Nu ben ik er natuurlijk geenszins op uit om de populisten en technocraten die nu mopperen op de democratie, met de nazi’s te vergelijken. Ik wil alleen zeggen dat de parlementaire democratie zowel in theorie als in de praktijk de enige staatsvorm is gebleken die het hierboven beschreven ‘recht van de sterkste’ een halt toeroept, en dat we haar dus niet zomaar moeten afschrijven als de uitkomst ervan ons niet zint. 

 

Tegen de “pedofielenjagers” en hun geestverwanten wil ik dan ook zeggen: ga niet voor eigen rechter spelen, want dan is het al snel compleet willekeurig wie er gestraft wordt en hoe zwaar. En tegen de technocraten in Brussel, Straatsburg, Den Haag, Parijs en Berlijn heb ik al eerder op dit weblog gezegd dat de democratie mij meer waard is dan de euro, en daar blijf ik bij. Liever een beperkt groeiende of zelfs wat krimpende welvaart, dan een pijlsnel groeiende welvaart waarvan een klein clubje ‘dictators’ bepaalt hoe die verdeeld wordt.

 

En zoals ik eerder al aangaf, is er absoluut meer aandacht nodig voor democratie en rechtsstaat in het onderwijs, zodat iedereen leert wat nu te weinig mensen lukt: de grote en kleine heimelijke aanvallen op onze democratie herkennen voor wat ze zijn, en ze krachtig afserveren.
17:45:54 07 September 2011 Permanente link Reacties (0)

Het anti-Nederlandse kabinet


Het stof rondom de Integratienota die minister Donner 16 juni jl. de wereld in stuurde, is inmiddels wel weer neergedwarreld. Uit allerlei hoeken kwam kritiek: te rechts, te bekrompen, te negatief over migranten, te weinig oplossingsgericht... Veel aandacht was er voor een passage over ‘de Nederlandse samenleving en de waarden waarop deze berust’; sommigen vonden dat deze passage er helemaal niet in had gemogen, anderen hadden aanmerkingen op het lijstje waarden in kwestie. Op welke waarden berust de Nederlandse samenleving volgens Piet Hein Donner?

 

Op ‘vrijheid’, zo valt in de nota te lezen, ‘gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit.’ Prima waarden, op zich, maar in deze context vrij betekenisloos: wat is er specifiek Nederlands aan dit rijtje? Mijns inziens vrij weinig; een Britse, Duitse of Franse minister zou net zo goed van zíjn samenleving kunnen zeggen dat die op ‘vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit’ berust. En volgens mij is bij het opstellen van de Integratienota bewust voor zulke “vage”, niet-specifieke waarden gekozen. Als het kabinet-Rutte een Integratienota uit zou vaardigen waarin de werkelijke Nederlandse waarden worden benoemd, zouden de commentatoren over elkaar heen buitelen om het van hypocrisie te betichten. Dit kabinet heeft namelijk lak aan zo’n beetje alle waarden die écht typisch Nederlands zijn.

 

Neem bijvoorbeeld ons veelgeprezen poldermodel. Nederland is altijd een land van consensus, compromis en overleg geweest; besturen betekent hier van oudsher schipperen tussen honderdduizend belangen. Voor “daadkrachtige” of “ambitieuze” bestuurders is geen plaats; zij zouden gek worden van alle checks and balances (waarvan we er volgens mij in Nederland meer hebben dan waar dan ook ter wereld).

 

Maar vertel dat maar eens aan minister Donner, dezelfde Donner die ‘de Nederlandse samenleving en de waarden waarop deze berust’ in zijn Integratienota zo hoog aanslaat. Hij zocht de confrontatie met de gemeenten over het nieuwe bestuursakkoord; toen deze en masse de beruchte sociale paragraaf afwezen (wat niet heel verwonderlijk was – geen wethouder, ook niet die van VVD- of CDA-huize, wil minder geld voor meer taken), sprak hij dreigend dat het kabinet dan wel met wetgeving zijn zin door zou drukken. Of vertel het aan Halbe Zijlstra, die zowel in de kunst als in het hoger onderwijs zijn sloopplannen doorzet, lijnrecht tegen de wensen en adviezen van studenten, docenten, bestuurders, kunstenaars, deskundigen en zelfs de Raad van State in. Het kabinet-Rutte probeert Nederland enkel en alleen op de Staten-Generaal te besturen, zonder zich veel aan te trekken van adviesorganen, lagere overheden of het maatschappelijk middenveld. Deze situatie wordt nog eens extra bizar doordat het in beide Kamers van die Staten-Generaal op de krapst mogelijke meerderheid steunt. Tel daarbij op dat het kabinetsbeleid allerminst gematigd genoemd kan worden, en het wordt duidelijk dat dit kabinet bijzonder weinig heel laat van het poldermodel.

 

Om nog even terug te komen op het hoger onderwijs, daar wordt, met de invoering van het “sociale” leenstelsel en selectie aan de poort, een andere waarde overboord gegooid: egalitarisme. In Nederland kruipt niemand voor elkaar in het stof; eeuwen geleden waren buitenlandse bezoekers al verbijsterd over de brutaliteit die het gewone volk tegenover adel en bourgeoisie aan de dag legde. Wij hebben nooit een echte klassenmaatschappij zoals in Groot-Brittannië gekend. Iemand met een uniform aan nemen we niet snel serieus; in Frankrijk en al helemaal in Duitsland ligt dat heel anders. De egalitaire samenleving, waarin iedereen even belangrijk is, is kortom echt een Nederlands ding. Maar Zijlstra moet er kennelijk niets van weten. Edith Schippers op VWS ook niet: zij voert, voortbordurend op het beleid van haar voorganger Ab Klink, nóg verdergaande marktwerking in de zorg in. Het kabinet springt enthousiast op de hellende vlakken richting klassenonderwijs en klassenzorg; worden we dan toch een soort mini-Engeland, of erger nog, een mini-Amerika?

 

Goed, zo’n vaart zal het wellicht niet lopen, maar er worden wel onaangenaam grote stappen in die richting gezet. Ook hier gaat Nederland steeds minder op Nederland lijken.

 

De volgende Nederlandse waarde waar het kabinet de bijl in zet, is onze nuchterheid. Wij zijn altijd een land van pragmatici geweest, die liefst met beide benen op de grond bleven staan en zich niet door radicale heethoofden mee lieten slepen. Niet voor niets zijn extreem-rechts en extreem-links hier altijd klein en onbeduidend gebleven. Niet voor niets kon D66 hier groot worden door zich als “het redelijke alternatief” te presenteren. Redelijkheid, daar liepen Nederlanders nou warm voor.

 

Maar die dagen zijn voorbij. Melanie Schultz wil de maximumsnelheid verhogen, dus er zál harder gereden worden – ook al is er honderd keer bewezen dat het slecht is voor de luchtkwaliteit en niets helpt tegen de files. Henk Bleker wil de Hertogin Hedwigepolder droog houden, dus de Hedwigepolder zál droog blijven – ook al ligt er een verdrag met de Belgen. Halbe Zijlstra (daar is hij weer) wil alle cultuurinstellingen even hard aanpakken, dus haalt hij voor het Museum Boerhaave financiële deadlines naar voren – ook al levert dat de schatkist geen cent op en brengt het het museum in moeilijkheden. En de lijst met Prinzipienreiter gaat nog wel even door. Het is allemaal niet pragmatisch of professioneel, wel principieel en provinciaals.

 

Aan de pluriformiteit die ons land in de Gouden Eeuw zo groot heeft gemaakt, hoeven we weinig woorden vuil te maken. Die Nederlandse waarde wordt, vreemd genoeg juist in naam van de Nederlandse cultuur, met een geweldige kracht de vuilnisbak in gesmeten.

 

Eigenlijk geldt die ironie op het eerste gezicht voor alle bovengenoemde waarden wel: dit is toch het kabinet dat zo vaak praat over de Nederlandse identiteit, de Nederlandse cultuur, ‘Nederland teruggeven aan de Nederlanders’? Waarom stelt het zich in zijn concrete handelen dan zo on-Nederlands, ja zelfs anti-Nederlands op? Helemaal raar wordt het als men bedenkt dat de PVV, die bijna alleen maar op nationalistische retoriek draait, zich het scherpst tegen de hierboven genoemde waarden keert, en ook nog eens de gemoedelijke, respectvolle cultuur die ooit zo typerend was voor het Nederlandse politieke bestel, in het kielzog van Fortuyn bijna eigenhandig heeft veranderd in een wedstrijdje functioneel boos zijn. De meest pro-Nederlandse partij is, kortom, tegelijkertijd de meest anti-Nederlandse!

 

Maar deze tegenstrijdigheid verdwijnt als we opmerken dat rechtse mensen het begrip “cultuur” alleen gebruiken om tegenstellingen te verscherpen, scheidslijnen te trekken. Liefst duidelijk zichtbare scheidslijnen, die de “gewone man” kan begrijpen. Een rechtse politicus die het over “onze cultuur” heeft, bedoelt dan ook uitdrukkelijk niet de grondwaarden van de Nederlandse samenleving, maar oppervlakkige, materiële cultuuruitingen – denk aan haringkarren, Sinterklaas en voetbal (de “wij”-cultuur) of juist aan hoofddoeken en minaretten (de “zij”-cultuur). Hij ratelt wat af over onze cultuur, niet omdat hij zich druk maakt om de Nederlandse waarden en grondhoudingen, maar omdat cultuur een handige streep in het zand biedt, een scheidslijn tussen “wij” en “zij”, het eigene en het vreemde, het vertrouwde en het “bedreigende”. Zo kan het verklaard worden dat het kabinet-Rutte “de Nederlandse cultuur” (materiële uitingen) verheerlijkt en ondertussen de werkelijke Nederlandse cultuur (waarden en grondhoudingen) met een sloophamer bewerkt.

 

Wat blijft er trouwens van onze cultuur over na al dat sloopwerk? De Hollandse handelsgeest natuurlijk, en dan wel het foute soort, belichaamd door Multatuli’s onsterfelijke personage Batavus Droogstoppel. De houding van Rutte is die van de krenterige, behoudend ingestelde koopman, die zich argwanend afvraagt wat iets kost zonder zich werkelijk bewust te zijn van wat het oplevert. In het diplomatieke verkeer wordt iedere overweging ondergeschikt gemaakt aan de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven – heerlijk, die VOC-mentaliteit! Ook de Nederlandse gerichtheid op het individu en zijn vrijheid zien we nog wel terug, zij het in twee perverse vormen: ten eerste wordt het “dikke ik” van veel mensen geen strobreed in de weg gelegd, en ten tweede zullen mensen die sterk van de overheid afhankelijk zijn, steeds vaker ondervinden dat de ‘vrijheid en verantwoordelijkheid’ uit het regeerakkoord Lubberiaans zijn voor ‘zoekt u het zelf maar uit’ (zie het hakwerk in het PGB en het reïntegratiecircuit).

 

Helemaal eerlijk is het natuurlijk niet om het kabinet (en gedoogpartner PVV) de schuld te geven van deze aanval op de Nederlandse cultuur – ‘ieder volk krijgt de leiders die het verdient’, nietwaar? En in een goed functionerende democratie als de onze geldt dat adagium nog wel het sterkst. Inderdaad is het kabinet-Rutte slechts een product van de tijdgeest, van een anti-Nederlandse gezindheid die al sinds de opkomst (en ondergang) van Pim Fortuyn hoogtij viert. Dus Mark, doe geen moeite om ‘Nederland terug te geven aan de Nederlanders’. ‘De Nederlanders’ wíllen Nederland helemaal niet terug; ze hebben het zelf afgeschaft.
03:56:06 28 Juli 2011 Permanente link Reacties (0)

Utøya en Guernica


Het is een oud adagium dat oorlog een voortzetting is van de politiek met andere middelen. Voor terrorisme geldt in feite hetzelfde. Met de laffe aanval op de jongerenafdeling van de Noorse Arbeiderspartij is dat weer eens pijnlijk duidelijk geworden. Het ging hier niet, zoals bij schietpartijen op scholen of de recente zelfmoordactie van Tristan van der Vlis, om een geïsoleerde gek die zuiver om persoonlijke motieven een bloedbad aanrichtte, en ook de slachtoffers waren allerminst willekeurig gekozen. Dit was een duidelijk politieke geweldsdaad, voortkomend uit extreem-rechtse en christen-fundamentalistische overtuigingen, en gericht tegen het democratisch socialisme.

 

Ik voel me dan ook verbonden met de slachtoffers, en ik denk dat dit geldt voor iedereen die enige passie voor linkse politiek aan de dag legt; zij zijn vermoord om hun idealen, en die idealen komen in grote lijnen overeen met de mijne. Mijn eerste reactie, toen de omvang van het bloedbad mij duidelijk werd, bestond eruit dat ik mijn gezicht tot een woedende grimas vertrok, en naar de plek op mijn riem greep waar ik een zwaard zou dragen – om me vervolgens te realiseren dat ik helemaal geen zwaard heb. Het voelde, en voelt, alsof “wij” zijn aangevallen door “hen”. Een laffe, smerige aanval van rechts op links, van de witten op de roden, vergelijkbaar met het bombardement op Guernica in 1937.

 

Ik heb fanatieke christenen in mijn kennissenkring hierop aangesproken, maar zij weigeren – voorspelbaar genoeg – enig verband te erkennen tussen hun eigen totalitaire manier van denken en dit soort fundamentalistische uitwassen. Hoewel zo’n verband er wel degelijk is; het is niet voor niets dat bijna alle terroristische aanslagen gepleegd worden uit naam van een of andere religie, of anders van een extreem-linkse of extreem-rechtse overtuiging die op net zo’n dogmatische, religieuze manier wordt aangehangen. De religieuze denktrant leent zich gewoon bijzonder makkelijk voor zulke radicalisering. Religie is de vijand van de rede, de wetenschap en de democratie – en, zoals nu in Noorwegen weer eens is gebleken, zeker van het socialisme. Een meedogenloze vijand ook; Anders Breivik was kennelijk in staat om tientallen ongewapende kinderen dood te schieten voor zijn God. Het christendom is in dit opzicht nauwelijks opgeschoten sinds de Kruistochten, en het is geen haar beter dan de islam met haar heilige oorlogen.

 

Naast religieus fundamentalisme waren ook extreem-rechtse ideeën een belangrijke inspiratiebron voor Breivik. Ik hoop dat dit de regeringen van Europa eindelijk de ogen opent, en dat extreem-rechtse organisaties – zoals hier te lande Voorpost en de Nederlandse Volksunie – worden verboden, en hun leden vervolgd. Nergens in Europa mag de fascist zich nog veilig voelen. Volgens de AIVD zijn er slechts een paar honderd rechtse extremisten in Nederland; het moet niet zo moeilijk zijn om die allemaal achter tralies te krijgen.
13:48:53 24 Juli 2011 Permanente link Reacties (4)

Schrijf uw eigen beginselprogramma


Zoals iedere zichzelf respecterende politieke partij heeft GroenLinks, naast haar steeds wisselende verkiezingsprogramma’s, een “beginselprogramma” dat min of meer constant blijft. Ons beginselprogramma heet “Partij van de Toekomst” en is in 2008 opgesteld ter vervanging van het oude programma uit 1992. Zoals het een democratische partij betaamt, is hier een lang proces van nadenken, overleggen en stemmen aan vooraf gegaan. Het resultaat is een fatsoenlijk programma, maar met één inherent zwak punt: een manifest dat zo sterk in de polder is geschreven, ontkomt niet aan compromissen, vaagheden en wollig taalgebruik.

 

Het leek me daarom een interessante gedachtenoefening om een “persoonlijk” beginselprogramma te schrijven – een opsomming van wat voor míj de belangrijkste principes van de partij zijn of zouden moeten zijn, zonder compromissen met anderen. Dit heeft geleid tot het lijstje beginselen hieronder. Het is misschien onvolledig, maar dit zijn de eerste dingen die bij mij opkwamen toen ik mezelf de vraag stelde, wat GroenLinks voor mij persoonlijk betekent. Ik nodig ieder partijlid uit om hetzelfde te doen; het lijkt me gezond voor de discussie over koers en beginselen.

 

GROENLINKS IS GROENLINKS

[I] – GroenLinks streeft naar een participatiemaatschappij. Overheidsbeleid moet zich erop richten om de deelname aan de samenleving van alle Nederlanders, op verschillende terreinen waaronder arbeid, zorg, cultuur en politiek, mogelijk te maken en te stimuleren.

 

GROENLINKS IS SOCIAAL

 [II] – Een van de sterkste punten van de Nederlandse maatschappij is het relatief kleine verschil tussen arm en rijk in ons land. Dit is essentieel voor een functionerende democratie en een gezonde, stabiele samenleving. GroenLinks stelt als belangrijkste doelstelling van sociaal-economisch beleid het beperkt houden van de inkomensverschillen en de werkloosheid in Nederland.

[III] – GroenLinks staat voor een daadkrachtige overheid, die zich actief in het economisch leven mengt om de rechtvaardigheid in de samenleving te waarborgen. De macht van de overheid moet een tegenwicht vormen voor de macht van het bedrijfsleven.

[IV] – GroenLinks wil de macht over de onderneming zoveel mogelijk aan de werknemers toekennen en niet aan de aandeelhouders. Werknemers moeten delen in de successen van hun bedrijf en inspraak hebben in de koers ervan.

[V] – In die sectoren van de economie die aan de markt worden overgelaten, wil GroenLinks dat de overheid erover waakt dat er een gezonde, open concurrentie heerst, om monopoliën te voorkomen.

[VI] – GroenLinks wil ervoor waken dat het recht op goede medische zorg nooit inkomensafhankelijk wordt.

 

GROENLINKS IS DUURZAAM

[VII] – Het is zinloos om een rechtvaardige samenleving op te bouwen als die vervolgens aan grondstoffenschaarste en natuurgeweld ten onder gaat. GroenLinks zet zich in voor methoden van productie en consumptie die ons leefmilieu zo min mogelijk vervuilen, aantasten en uitputten.

[VIII] – GroenLinks wil dat de overheid sturend en, waar nodig, dwingend optreedt om de overgang naar duurzame methoden van productie en consumptie te bespoedigen.

 

GROENLINKS IS VRIJHEIDSLIEVEND

[IX] – GroenLinks staat pal voor de parlementair-democratische rechtsstaat, en ziet handhaving en bescherming van de Grondwet als een van de belangrijkste overheidstaken. Permanente waakzaamheid is geboden om deze taak effectief te vervullen.

[X] – GroenLinks komt op voor de vrijheid van mensen om zelf hun leven vorm te geven ongeacht geslacht, seksuele geaardheid, etniciteit en culturele achtergrond.

[XI] – Veiligheid is een voorwaarde voor vrijheid. GroenLinks streeft naar een verstandig veiligheidsbeleid, dat zoveel mogelijk ingebed ligt in de gemeenschap.

[XII] – GroenLinks wil voorkomen dat de krijgsmacht ooit een rol zal spelen in de burgerlijke maatschappij.

 

GROENLINKS IS INTERNATIONAAL

[XIII] – Nederland bevindt zich niet in een vacuüm. GroenLinks wil dat de Nederlandse overheid zich in internationaal verband tot verregaande samenwerking bereid toont, en in haar buitenlandse politiek eraan bijdraagt dat de principes van GroenLinks ook buiten onze grenzen verwezenlijkt worden.

[XIV] – GroenLinks wil de zeggenschap over de wereldeconomie zo eerlijk mogelijk verdelen. De Nederlandse overheid moet zich hiervoor inspannen, onder andere door een herstructurering van de internationale financiële instituten te bepleiten.

[XV] – GroenLinks wil dat de Nederlandse overheid zich inzet voor de politieke en economische emancipatie van alle wereldburgers.

 

GROENLINKS IS CONSEQUENT

[XVI] – Iedere maatregel die door volksvertegenwoordigers of bestuurders namens GroenLinks bepleit of ingevoerd wordt, moet te verdedigen zijn met een beroep op de principes in dit document.

[XVII] – Ieder lid van GroenLinks ziet het als zijn taak om de principes in dit document zo goed mogelijk te verwezenlijken, en houdt daar ook in zijn persoonlijke leven rekening mee.


18:42:23 28 Mei 2011 Permanente link Reacties (3)

Linkse liberalen bestaan niet


Femke Halsema is nu alweer bijna een half jaar partijleider af. Hoewel ze acht jaar lang het gezicht van GroenLinks was en in die tijd enorm naam maakte binnen en buiten de partij, heeft Jolande Sap haar in vijf maanden al bijna doen vergeten. Toch werd ik laatst weer aan Femke herinnerd (ik gebruik haar voornaam hier niet geringschattend, maar volgens goed GroenLinks-gebruik), en wel door een oude column van Marcel van Dam waar ik toevallig op stuitte terwijl ik oeverloos rondstruinde op de opinie-site van de Volkskrant.

 

Van Dam had het onder meer over een van Femkes controversiële uitspraken: dat GroenLinks ‘de laatste links-liberale partij’ zou zijn.

 

Voordat ik verder ga, wil ik graag enige verwarring omtrent het woord ‘liberaal’ uit de wereld helpen. Dit woord kan naar twee dingen verwijzen: naar een tolerante en vrijheidslievende mentaliteit, of naar het liberalisme als politieke ideologie. In de eerste zin van het woord is GroenLinks een liberale partij, in de tweede zin niet. Ik stel voor om het woord in zijn eerste betekenis door ‘vrijzinnig’ te vervangen, en het woord ‘liberaal’ alleen nog in de tweede, politieke betekenis te gebruiken. Eenzelfde verwarring treedt op rondom het woord ‘conservatief’; ook dit kan óf op een mentaliteit, óf op een politieke stroming slaan. Voor de ‘conservatieve’ mentaliteit zou ik het woord ‘behoudend’ willen voorstellen.

 

Mijn stelling is nu dus dat GroenLinks geen liberale partij is, zeg maar gerust in de verste verte niet. Waarom niet? Zoals elke politieke ideologie moet het liberalisme in de eerste plaats beoordeeld worden op haar sociaal-economische programma. Ideeën over veiligheidsbeleid, cultuursubsidies en de vrijheid van onderwijs zijn leuk, maar uiteindelijk gaat het erom hoe we de koek verdelen. De arbeidsmarkt, de woningmarkt, de sociale zekerheid, het belastingstelsel: dáár ligt de kern van de politiek.

 

Wat willen liberalen op dit gebied? Hun principes zijn in grote lijnen bekend: veel economische vrijheid, en weinig overheidsbemoeienis met het economisch leven. Deze principes vertalen zich in lage belastingen, weinig regels voor het bedrijfsleven en een minimalistisch stelsel van sociale zekerheid. Door hun voorkeur voor de markt boven de overheid zien zij diensten als de posterijen of de spoorwegen ook het liefst in private handen. Zoals hun naam aangeeft, is voor liberalen vrijheid het hoogste goed, en zij zien de overheid in de eerste plaats als een obstakel voor die vrijheid, dus ook in de sociaal-economische sfeer. De extreme vorm van het liberalisme is dan ook het anarchisme, zoals het communisme de extreme vorm van het socialisme is en het fascisme van het conservatisme. Economische achterstand wordt door liberalen eerder geweten aan het falen van het individu dan aan “systeemfactoren” waar dat individu niets aan kan doen.

 

Dat is, in een notendop, wat liberalen op sociaal-economisch vlak met de maatschappij voor hebben. Een vluchtige blik op de recente verkiezingsprogramma’s van GroenLinks wijst uit dat onze partij absoluut niets van deze ideeën moet hebben. GroenLinks is een socialistische, om precies te zijn sociaal-democratische, partij en streeft dus juist naar een grote rol van de overheid in het economisch leven – dat is het hele punt van linkse politiek, en het is dan ook onmogelijk om tegelijkertijd links en liberaal te zijn. Zoals alle socialistische bewegingen ziet onze partij de overheid niet in de eerste plaats als een instituut dat de vrijheid beperkt, maar als een instituut dat de gelijkheid bevordert – uiteraard zonder daarbij de balans tussen vrijheid en gelijkheid uit het oog te verliezen.

 

En de hervormingen in de sociale zekerheid, het ontslagrecht en het pensioenstelsel dan? Deze speerpunten van GroenLinks zijn de afgelopen jaren door velen binnen en buiten de partij als ‘liberaal’ geïnterpreteerd; de partij zou zijn ‘opgeschoven naar het midden’, en boze tongen spraken zelfs van ‘GroenRechts’.

 

Al deze voorgestelde hervormingen zijn echter gebouwd op socialistische principes. Het doel ervan is om de verzorgingsstaat, die in haar huidige vorm sommige mensen in de watten legt en anderen in de kou laat staan, eerlijker van opzet te maken. Een herverdeling van de herverdelingsmechanismen – meta-links. Deze ondubbelzinnige keuze voor een modern socialisme is de belangrijkste reden dat ik me zo thuis voel bij GroenLinks, en niet bij de conserva- sorry, behoudende SP of de voortdurend twijfelende PvdA.

 

Het socialisme en het liberalisme zijn, zoals ik hierboven al uitlegde, gezworen vijanden (de “Paarse” samenwerking in de jaren negentig was dan ook alleen mogelijk doordat de PvdA haar socialistische principes in de uitverkoop gooide). En er mag geen twijfel over bestaan aan welke kant GroenLinks staat.

 

Aan welke kant staan trouwens de andere partijen in de Tweede Kamer? Ik ben geneigd te denken dat D66 de laatste “zuivere” liberale partij is. De VVD wordt wel eens als ‘conservatief-liberaal’ bestempeld, maar dat is net zo’n contradictie als het ‘sociaal-liberale’ etiket dat D66 zichzelf graag opplakt; ik zou van de VVD eerder zeggen dat zij afwisselend conservatief en liberaal is. Zij schakelt, al naar het uitkomt, tussen conservatieve praatjes over een ‘keiharde aanpak’ en ‘het land teruggeven aan de Nederlanders’ en een liberaal verhaal over vrijheid en ondernemerschap.

 

De SGP is makkelijk: conservatief. Dito voor Wilders en zijn club, hoewel hij ook graag liberale principes uit de kast trekt als hij daarmee de islam een draai om de oren kan verkopen. SP en PvdA zijn uiteraard socialistisch, net als de ChristenUnie, die in haar vorige verkiezingsprogramma bijvoorbeeld een plan ontvouwde om boetes inkomensafhankelijk te maken.

 

Het CDA is lastig vast te pinnen – de christen-democratie in het algemeen, van oorsprong conservatief, is al decennia een samenraapsel van conservatieven, liberalen en socialisten. De laaste jaren echter is het confessionele monsterverbond toch vooral de liberale kant op gegaan (denk aan de marktwerking in de zorg). Een conservatieve vleugel is er nog wel, een socialistische vleugel bijna niet meer; dat laatste bleek toen de discussie binnen het CDA over deelname aan het kabinet-Rutte zich vrijwel uitsluitend toespitste op de samenwerking met de PVV en de nare dingen die Wilders over moslims zei, en niet op de hardvochtige bezuinigingsmaatregelen in het regeerakkoord (hier wijdde ik destijds de eerste tekst op dit weblog aan).

 

Blijft over de Partij voor de Dieren. Dit is duidelijk een single-issue-partij, blijkens haar neiging om bij ieder debat, ongeacht het onderwerp, over dierenrechten te beginnen; maar voorzover zij een programma voor de mensen heeft, lijkt dit socialistisch georiënteerd te zijn.

 

Maar terug naar GroenLinks. Zoals ik net al zei, mag er geen twijfel over bestaan dat onze partij aan de kant van het socialisme staat. Daarom zal ik Femke haar ‘liberale’ uitleg van de partijlijn niet snel vergeven, hoeveel ontzag ik ook voor haar heb als intellectueel en als leider. Dat zij zich bijvoorbeeld in het hol van de leeuw waagde om de door de JOVD aan haar toegekende prijs voor de ‘liberaal van het jaar’ in ontvangst te nemen, neem ik haar bijzonder kwalijk; ze had de prijs als een belediging moeten opvatten en hem moeten afslaan, erbij zeggend dat de VVD-jongeren haar kennelijk niet goed hadden begrepen. Door zo te koketteren met misschien wel onze grootste politieke tegenstander, voedde ze de misverstanden rondom de ideologische koers van GroenLinks, en maakte ze het wel erg makkelijk voor PvdA en SP om ons als ‘GroenRechts’ neer te zetten.

 

In werkelijkheid is onze partij, zoals ik eerder aangaf, sociaal-democratisch. Doordat zij de socialistische principes op een moderne en originele manier in de praktijk probeert te brengen, zal haar programma deze principes mijns inziens beter verwezelijken dan dat van de PvdA of de SP, en dat is, wederom, waarom ik lid ben van GroenLinks. Laten we dat dan ook ondubbelzinnig uitdragen. Wij zijn een bijzonder standvastige partij; inhoudelijk weet men in principe wat men aan ons heeft (alleen daarom al zou een fusie met het eeuwig heen en weer glibberende D66 geen goed idee zijn). In de praktijk echter weet de kiezer níet altijd wat hij aan ons heeft. Door duidelijk uit te dragen wat onze ideologie is – te denken valt aan slogans als ‘alleen modern socialisme is werkelijk sociaal’ – zou dat verbeterd moeten kunnen worden. Laten we dus helder zijn: GroenLinks is geen ‘links-liberale’ partij, GroenLinks is een linkse partij. En daarmee basta.
19:03:21 26 Mei 2011 Permanente link Reacties (2)

Nationalisme versus nuchterheid


Sommige leraren geven hun leerlingen fundamentele levenswijsheden mee, die eeuwig blijven hangen. Zo was er de (veel te vroeg overleden) leraar levensbeschouwing die mij voor het eerst de paradox van het anarchisme uitlegde – de paradox dat regels de vrijheid kunnen vergroten: ‘zonder regels heb je de vrijheid om iemand in elkaar te slaan; mét regels heb je de vrijheid om rond te lopen zonder in elkaar geslagen te worden.’ En er was onze onovertroffen lerares aardrijkskunde, die meerdere malen in de les verkondigde dat ‘oorlog altijd gevoerd wordt om de middelen van bestaan. Zaken als religie of nationale trots zijn nooit de echte reden, die worden er slechts bij gehaald.’ Dat idee, dat alle gewapende conflicten uiteindelijk om concrete materiële zaken draaien – grond, drinkwater, diamanten, olie – is sindsdien mijn leidraad geweest bij iedere poging om chocola te maken van de buitenlandse politiek, en in alle historische en actuele conflicten waar ik over gehoord of gelezen heb, heb ik geen enkele aanleiding gevonden om het te herzien. Iedere politicus die zijn land een oorlog in leidt met een beroep op iets anders dan economische en strategische (d.w.z. indirect economische) belangen, is oneerlijk.

 

Als het om het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat, wil dat idee er maar niet in. Niet bij Arabieren die de mond vol hebben van “heilige oorlogen” en het Palestijnse “broedervolk”, en ook niet bij Joden die de islam als een “vijandige ideologie” proberen af te schilderen. Het laatste geluid vindt in West-Europa aanzienlijk meer weerklank. Soms lijkt het wel alsof heel rechts Nederland het vrolijk meeschreeuwt. Het Israëlische leger vecht niet voor zoiets prozaïsch als veilige grenzen, laat staan voor materiële dingen als grond of drinkwater. Nee, het gaat hier om een conflict tussen wereldbeelden! Botsende beschavingen! De politieke roverhoofdman Geert Wilders ziet in Israël zelfs een bastion van de westerse beschaving, dat zich heldhaftig teweer stelt tegen barbaarse islamitische horden.

 

Zoals iedere mening die prominent aanwezig is in het openbare debat in Nederland, zien we ook dit merkwaardige idee van tijd tot tijd terug op de opiniepagina’s van de Volkskrant. In de krant van gisteren bijvoorbeeld schreef ene Timon Dias een reactie op Rolf Bos, die een stuk over de Zesdaagse Oorlog en de grenzen van Israël had geschreven. Nu heb ik dit stuk niet gelezen – ik heb zelfs nog nooit van Rolf Bos gehoord – en weet ik weinig van de Zesdaagse Oorlog, dus op zich zou ik hier niet veel zinnigs over kunnen zeggen. Maar Dias gaat door over hele andere dingen dan de Zesdaagse Oorlog... en ja hoor, daar hebben we hem weer: ‘De aard van het Arabisch-Israëlisch conflict is niet territoriaal, maar ideologisch.’ Zucht.

 

We kunnen nuchter vaststellen dat dit niet klopt; er zijn wel degelijk territoriale en economische kwesties in het geding, zoals veilige woonruimte voor Israëliërs, de toegang van Palestijnse boeren tot hun olijfboomgaarden en de verdeling van het drinkwater uit de Jordaan. Als een onzinnige bewering zo vaak herhaald wordt, wordt het tijd om eens na te gaan denken over de motieven daarachter. Waarom willen mensen zo graag geloven dat de Israëlische strijdkrachten voor een hoger, poëtischer doel vechten dan de strategische belangen van Israël?

 

Het antwoord ligt natuurlijk voor de hand: rechtvaardiging. Wie met de middelen die Israël gebruikt, vecht voor zijn eigen territoriale belangen, voert een zogeheten “smerige oorlog”; maar als het conflict ‘ideologisch van aard’ is, is het opeens een stuk minder smerig om arme mensen uit hun huizen te zetten, boeren van hun land af te snijden, en als de vlam weer eens écht in de pan slaat, burgers met clusterbommen en fosfor te bestoken. Men vecht dan immers voor een ideologie, en verdient dus de steun van iedereen die die (meestal nogal vaag gedefinieerde) ideologie aanhangt.

 

Maar goed, op zich zou deze opvatting het stukje van Dias niet heel bijzonder maken. Verderop wordt hij pas écht creatief met logica, als hij het over het islamitische regime in Iran heeft. ‘Het is een regime gecreëerd met één doel: all out war’, vertelt hij ons. Dias studeert islamologie, en weet dus dat ‘in de theologie der twaalvers’ – zo heet de bizarre denominatie van de Iraanse mannenbroeders kennelijk – ‘ligt besloten dat hun verborgen imam, de Mahdi, zal verschijnen als het einde der tijden aanbreekt. Het Iraanse regime doet alles wat in zijn macht ligt om het einde der tijden dichterbij te brengen, zoals het ontwikkelen van kernwapens. Zelfs zonder provocatie kan Iran oorlogen beginnen, aangezien verspreiding van de islamitische revolutie wordt beschouwd als een heilige missie.’

 

Iedereen die iets van Iran weet – en dan bedoel ik geen echte deskundigheid, maar de basisfeiten zoals iedere leek, waaronder ikzelf, die via krant, Journaal en internet tot zich kan nemen – zal hier toch minstens een paar wenkbrauwen optrekken. Ten eerste: als het Iraanse regime als enige doel ‘all out war’ heeft, hoe kan het dan in vredesnaam dat Iran al sinds 1988 geen oorlog meer heeft gevoerd? Kennelijk bevindt Iran zich niet in de positie om ‘zonder provocatie oorlogen te beginnen’, of heeft het daar geen zin in. Hoezo ‘heilige missie’?

 

En dan die kernwapens. De islamitische heersers van Iran zijn natuurlijk een troep dictators, maar ze zijn niet gek. Khomeini was in 1979 slim genoeg om het voor elkaar te krijgen dat het Perzische volk in opstand kwam tegen de Sjah, en hem nog weg kreeg ook – ook al had de Sjah een leger, nagenoeg alle communicatiemiddelen, en invloedrijke buitenlandse vrienden. Vervolgens wisten hij en zijn mede-ayatollahs binnen de korste keren zélf een ijzeren greep op het land te krijgen, waarbij ze vaak nog gewelddadiger te werk gingen dan de Sjah in zijn stoutste dromen. En inmiddels is het islamitische regime al 32 jaar de baas over een slordige 75 miljoen mensen. Dat is allemaal moreel verwerpelijk, maar het zijn wel prestaties die een behoorlijke intelligentie vereisen. Wie kernwapens ontwikkelt om ‘het einde der tijden dichterbij te brengen’, is een gevaarlijke gek en zou er dus nooit in geslaagd zijn om zich zo lang staande te houden als dictator in een land van die omvang. Kernwapens dienen twee doelen: ze vormen een stok achter de deur bij smerige geopolitieke spelletjes, en ze strelen de opgeblazen ego’s van een land in het algemeen en haar leiders in het bijzonder. Met het Iraanse kernwapenprogramma - als dat überhaupt al bestaat - is het niet anders.

 

Dias sluit af met een uitspraak van Binyamin Netanyahu, de huidige eerste minister van de Joodse heilstaat: ‘Als de Arabieren de wapens neerleggen, is dat het einde van de oorlog. Als Israël de wapens neerlegt, is dat het einde van Israël.’ Technisch gezien heeft Netanyahu hier waarschijnlijk gelijk in, maar hij gebruikt een slimme truc: hij vertelt twee halve waarheden (en nee, dat is bij elkaar niet één hele waarheid). Vollediger zou het zijn om te zeggen, ‘Als de Arabieren de wapens neerleggen, is dat het einde van de Palestijnse gebieden en van de oorlog. Als Israël de wapens neerlegt, is dat het einde van Israël en van de oorlog.’ Door maar de helft van het verhaal te vertellen, suggereert Netanyahu dat Israël, als de Arabische landen ‘de wapens neerlegden’ en haar daarmee alle ruimte gaven om te doen en laten wat ze wilde, geen smerige streken uit zou halen en niet meer gebied zou proberen in te pikken. Als een neutrale toeschouwer (voorzover die er bij dit conflict zijn) zoiets zou beweren, zou dat naïef zijn; maar aangezien Netanyahu als Israëlisch politicus ter rechterzijde allesbehalve neutraal is, kan het uit zijn mond als niets anders dan propaganda worden beschouwd.

 

Enfin, we hebben nu genoeg malle kronkels gezien in Dias’ betoog. De vraag is nu waarom hij zich in zulke bochten wringt, en waarom hij feiten die iedereen kan opzoeken, gemakshalve uit zijn redeneringen weglaat. Persoonlijk denk ik dat er maar één conclusie mogelijk is: Timon Dias is een nationalist, d.w.z. iemand die zijn morele en intellectuele zuiverheid ondergeschikt maakt aan het brandende verlangen om de superioriteit van een bepaalde groep of staat – in zijn geval Israël – te bevestigen.

 

We zien een belangrijk kenmerk van dit nationalisme terug in zijn betoog: op een subtiele manier impliceert hij dat de levens van mensen buiten zijn uitverkoren groep er minder toe doen dan die van de mensen erbinnen. Hij heeft het goedkeurend over ‘het seculiere Iran’, omdat dat ‘een vriend van Israël’ was, en gaat er totaal aan voorbij dat het seculiere Iran een bloedige politiestaat was. In het geval van Iran valt dat nog te vergeven, omdat het huidige islamitische regime minstens zo erg is. In het geval van Egypte niet.

 

Dit is wat Dias over Egypte te zeggen heeft: ‘Nu Mubarak van het toneel is verdwenen, is het zeer de vraag of Egypte een bondgenoot blijft. Eén ding is wel zeker: de vrede met Israël wordt niet gedragen door het Egyptische volk. En het is beslist gedaan met de vrede als de Moslimbroeders aan de macht komen.’ Zijn toon is onmiskenbaar afkeurend, geïrriteerd, wantrouwig. Mubarak was een boef, maar hij liet zich door Washington en Tel Aviv omkopen om die laatste ter wille te zijn, en dat kwam alle ‘vrienden van Israël’ hartstikke goed uit. Dat hij ‘van het toneel is verdwenen’, wordt door Dias – en velen met hem – in de eerste plaats als een vloek voor Israël gezien, niet als een zegen voor Egypte. Kennelijk is de vrijheid van 80 miljoen Egyptenaren (waarvan het nog maar de vraag is of ze die krijgen) niet meer dan een onbelangrijk detail, vergeleken met de veiligheid van 7 miljoen Israëliërs. Sterker nog, die vrijheid kan er maar beter níet komen, want ‘de vrede met Israël wordt niet gedragen door het Egyptische volk.’ Wat een vervelende spelbrekers, dat volk!

 

Een duurzame oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict zal er alleen komen als beide partijen ophouden zich door dit soort nationalistische ideeën te laten leiden, en het conflict nuchter bekijken. Eerlijk gezegd heb ik de hoop opgegeven dat dat in de komende honderd jaar gaat gebeuren, en zolang er in het publieke debat zulke onzin over dit onderwerp wordt uitgekraamd als Dias doet, ga ik het alleen maar somberder inzien.


02:52:07 25 Mei 2011 Permanente link Reacties (0)

Partijen voor Oenga's en Boenga's


De Eerste Kamerverkiezingen staan voor de deur, en daarmee de finale van de circusvoorstelling vol onderhandelingen, beloften, dreigementen, berekeningen en snode plannen die al sinds de Statenverkiezingen aan de gang is. Ik moet zeggen dat ik van de voorstelling  genoten heb; het deed weer even denken aan het luchtige, aangenaam knullige gezelschapsspelletje dat de Nederlandse politiek nog niet zo heel lang geleden was, toen links en rechts nog niet zo diep in hun loopgraven zaten als nu. De Eerste Kamer is sowieso een verademing in het huidige politieke landschap; van wat ik erover gehoord heb, gedragen de “rode” en “witte” afgevaardigden in de senaat zich in ieder geval nog alsof ze van dezelfde planeet komen, hetgeen van hun collega’s in de Tweede Kamer, en van ons eenvoudige deelnemers aan het publieke debat, nauwelijks meer gezegd kan worden. Maar goed, dat zal met de komst van de PVV in de senaat ongetwijfeld veranderen.

 

Hoe dan ook wil ik hier de aandacht vestigen op een aantal clowns die ik bijzonder irritant vond, en die mijns inziens de kwaliteit van de voorstelling als geheel naar beneden haalden. Hun grappen waren namelijk meer dan twee eeuwen oud, en daardoor echt niet leuk meer.

 

Wat bedoel ik hier nu weer mee? Sinds het eind van de achttiende eeuw is de nadruk in de politiek steeds meer gaan liggen op ideeën in plaats van belangen. Rond 1800 ontstonden er drie hoofdstromingen, die tot op de dag van vandaag de Europese politiek beheersen – te weten het liberalisme, dat begon als de opstand van mensen met geld tegen mensen met geld en adellijke titels; het socialisme, dat begon als de opstand van mensen zonder geld tegen mensen met geld; en het conservatisme, dat begon als de ‘ja-ho-eens-even-dat-gaat-zomaar-niet’-reactie van de gevestigde elites op de eerste twee bewegingen. Hoe men ook over die verschillende stromingen mag denken, het zijn uiteindelijk allemaal volwaardige politieke ideologieën geworden.

 

Vóór die tijd ging politiek zelden over meer dan de positie van Persoon X of de belangen van Groep Y. Liberalisme, socialisme en conservatisme ontwikkelden zich steeds meer tot ideeën die van toepassing waren op de héle samenleving: ideeën over hoe de koek als geheel verdeeld moest worden. Eerder ging het er alleen om om een zo groot mogelijk stuk van de koek voor je eigen groep te bemachtigen; een nogal primitief, tribaal spelletje.

 

De clowns met hun achterhaalde grappen waar ik het zoëven over had, zijn de verschillende lokale partijen en (de zoveelste ouderenpartij) 50PLUS, die nog steeds bezig zijn met deze primitieve vorm van politiek. Ik vergelijk hen graag met stammen – de Oenga’s en de Boenga’s, die ieder voor zich zoveel mogelijk mammoeten proberen te verschalken, en voortdurend ruzie maken om de beste jachtgronden. Er is een Partij voor de Oenga’s en een Partij voor de Boenga’s.

 

Neem de Partij voor het Noorden. De dag na de Statenverkiezingen zat de leider van deze partij, Johannes Veerenhuis-Lens, zich in een interview met de Volkskrant te verkneukelen: 'Een zetel voor de OSF, dat gaat niet lukken zoals het er nu uitziet. Ik ben mij heel erg bewust van de best pikante positie waarin de Partij voor het Noorden zich nu bevindt. Het is in theorie mogelijk dat wij links of rechts aan een meerderheid helpen.' Hier voegde de krant aan toe: ‘Maar voor de beslissende stem van Veerenhuis-Lens kan niet met een bloemetje worden volstaan. Speerpunt van de Partij voor het Noorden is een groter aandeel van de aardgasbaten voor de noordelijke provincies. En ook een snelle treinverbinding met het Westen staat op het verlanglijstje. Elke partij die dat kan bieden, weet zich verzekerd van een plaats aan de onderhandelingstafel.’

 

Het is treurig om te zien dat er anno 2011 nog steeds mensen zijn die politiek bedrijven alsof het 1750 is; deze “Oenga’s” en “Boenga’s” werken net zo lief samen met links als met rechts, zolang ze – in de woorden van de 50PLUS-afvallige Michel van Hulten – hun ‘extra grijpstuiver’ maar krijgen. Het is nog treuriger om te bedenken dat, nu het lot van heel Nederland op het spel staat, de stemmen van deze politieke holbewoners wellicht doorslaggevend zullen zijn.
14:17:37 21 Mei 2011 Permanente link Reacties (6)

Kapitalisme met geweren


‘Stelletje fascisten!’ Het is een scheldwoord dat in voorbije decennia nog wel eens door linkse activisten gebezigd werd, zo heb ik me laten vertellen. Tegenwoordig gaat het “F-woord” zelf niet meer zo snel over de tong, maar de verwijzingen naar, en vergelijkingen met, fascistische bewegingen zijn niet van de lucht. Vooral de PVV moet het ontgelden; zij krijgt van haar politieke tegenstanders maar al te vaak het etiket “extreem-rechts” opgeplakt, en op Bevrijdingsdag had een Haagse schrijver het in een toespraak zelfs over Wilders als een ‘geblondeerde Führer’.

 

Ik heb al eerder op dit weblog betoogd dat dit absoluut nergens op slaat. De PVV is een partij die haar doeleinden, hoe pervers u en ik ze ook mogen vinden, op een democratische manier probeert te bereiken; zij bedient zich van een hoop verbaal vuurwerk, maar niet van geweld of het dreigen daarmee. Alleen hierom al is het onzinnig om deze partij als extreem-rechts of fascistisch te bestempelen. Ik nodig iedereen die de PVV in die hoek plaatst, uit om de British National Party eens nader te bestuderen – een partij die openlijk een rassenleer uitdraagt, en wier leider gezegd heeft dat het ‘belangrijker is om de straten van een stad in handen te hebben dan de raadszaal’. Dit zou het relativeringsvermogen moeten versterken.

 

Maar goed, de PVV kan er zelf ook wat van. Wilders heeft het over de islam als een 'fascistische ideologie' en heeft, zoals Mei Li Vos op een (volgens haar) politiek handig moment opmerkte, de zinsnede ‘slachtoffers van het (nationaal-)socialisme’ in zijn verkiezingsprogramma staan. Wie zoiets opschrijft, heeft óf totaal geen verstand van politiek of geschiedenis, óf (en dat lijkt me bij Wilders waarschijnlijker) weet dat zijn lézers er geen verstand van hebben, en probeert hen bewust te misleiden. Goed, de nazi’s namen een aantal maatregelen die op het eerste gezicht socialistisch zouden lijken, maar dat is gerommel aan de oppervlakte; de kern van hun project was dat ze met geweld een oneerlijke, ongelijke samenleving in stand hielden. Dit staat lijnrecht tegenover het socialisme, dat vreedzaam streeft naar gelijkheid. De andere kwadranten kunnen – in zéér grote lijnen – opgevuld worden door het communisme, dat met geweld streeft naar gelijkheid, en het liberalisme, dat vreedzaam streeft naar ongelijkheid.

 

U ziet het, ik doe hier een poging om tot een heldere definitie van het fascisme te komen. Dit is vaker geprobeerd, en bijzonder lastig gebleken, vooral doordat het “F-woord” voor de meeste mensen zo’n krachtig negatief waardeoordeel in zich draagt. Velen hebben dan ook maar een vaag idee van wat fascisme inhoudt – iets met vlaggen, militairen in ganzenpas, hysterische toespraken en bruine uniformen.

 

In mijn geschiedenisboek, het zal zo in de derde of vierde klas zijn geweest, stond een lijstje met kenmerken van het fascisme. Tien kenmerken moesten wij uit ons hoofd leren, plus twee die specifiek waren voor het nationaal-socialisme. Ik  herinner me er misschien één of twee. Ook staat me niet meer bij of een denkrichting nu aan al die kenmerken moest voldoen om fascistisch te zijn, of slechts aan een bepaald aantal. Hoe dan ook vind ik dit achteraf een zinloze aanpak: een politieke stroming is een samenhangend geheel van principes, en dus niet te definiëren aan de hand van een simpel rijtje hokjes om af te vinken.

 

Een oudere en bekendere definitie komt van de beroemde Sovjet-leider Vladimir Lenin: ‘Fascisme is kapitalisme in verval.’ Hierin horen we de theorieën van Marx over een “natuurlijk verloop” van de geschiedenis, met “stadia” en “onafwendbare” gebeurtenissen – het woord ‘verval’ suggereert immers een proces, een verandering. Dit is een veel te optimistisch idee, zoals George Orwell al waarschuwde in zijn meesterlijke essay Looking Back on the Spanish War – als ze, vanuit haar eigen perspectief, geen al te domme dingen doet, kan een fascistische regering het jaren volhouden. Er is geen reden, zo schreef Orwell, om aan te nemen dat een regering die verschrikkelijke dingen doet, zich niet kan handhaven; omdat in verhalen de “goeieriken” uiteindelijk altijd winnen, betekent dat nog niet dat dat in het echt ook zo is. Om terug te komen op Lenins definitie: daar heb ik ooit mijn eigen, half-schertsend bedoelde versie van bedacht, namelijk ‘Fascisme is kapitalisme met geweren.’

 

Die geweren zijn een belangrijk punt; één aspect van het fascisme waar iedereen het over eens is, is dat het fascisme niet democratisch is. Een fascistische regering is er per definitie – per élke definitie - een die haar macht niet op Kamerzetels, maar op kogels en knokploegen baseert. Zo bezien is het fascisme misschien eerder een staatsvorm dan een ideologie.

 

De kern van die staatsvorm is, naar mijn mening, een perverse omkering van de rol van de overheid.

 

Joop den Uyl – een van de grootste Nederlandse politici van de 20ste eeuw – sloeg de spijker op de kop toen hij schreef: ‘De meeste rechtsregels zijn geschreven ter bescherming van zwakken. Wie de wet verzet al naar het hem uitkomt, baant de weg voor het recht van de sterkste.’ Dé functie van de overheid is om dat recht van de sterkste aan banden te leggen, en om de “zwakken” tegen de “sterken” te beschermen. Dat idee ligt ten grondslag aan concepten als eerlijke rechtspraak, vrije verkiezingen, openbaarheid van bestuur, en arbeidswetgeving.

 

In een fascistisch land doet de overheid precies het tegenovergestelde: zij beschermt de sterken tegen de zwakken. De voorrechten van de “sterken” worden verdedigd, de “zwakken” worden onder de duim gehouden, en dat alles met geweld.

 

Volgen we die definitie, dan zien we opeens overal fascisme waar we het misschien niet direct zouden hebben gezocht. In de praktijk is zo bijna elke combinatie van kapitalisme en dictatuur (‘kapitalisme met geweren’) fascistisch. China is een mooi (nu ja, mooi...) voorbeeld. Hoewel in naam communistisch, is China in mijn optiek een fascistisch land. Een kleine elite wentelt zich in de rijkdom van het land, terwijl de meerderheid van de bevolking in ellendige omstandigheden woont en werkt, en die situatie wordt met geweld (denk aan de slachting op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989) in stand gehouden. De partijbonzen en hun “vrinden” komen overal mee weg, terwijl arbeiders zich voor een hongerloontje kapot werken in onveilige fabrieken en boeren het steeds moeilijker krijgen door de gigantische milieuproblemen waarmee overheid en bedrijfsleven hen hebben opgezadeld. Maar waag het niet te protesteren...

 

 Op het moment van schrijven is Maxime Verhagen in China op “handelsmissie”. Met de Batavus Droogstoppel-achtige schijnheiligheid waaraan men de ware Hollandse koopman herkent, heeft Maxime zijn ‘ernstige zorgen over de verslechterde mensenrechtensituatie’ overgebracht aan de Chinese vicepremier, Hui Liangyu. Dit is onzin: de Nederlandse consument en het Nederlandse bedrijfsleven profiteren van het feit dat er in China een gigantische “mensenrechteloze” onderklasse bestaat, en dat weet Maxime donders goed. Met iedere vette deal die hij op zijn handelsmissie sluit, draagt hij eraan bij dat deze schrijnende, doch uiterst rendabele ‘mensenrechtensituatie’ in stand gehouden wordt.

 

Nog verder van de werkelijkheid was de reactie van zijn Chinese gesprekspartner. Als we de woordvoerder van Maxime mogen geloven, gaf Liangyu (dit is ’s mans voornaam) toe dat China ‘nog een lange weg te gaan heeft om de bescherming van mensenrechten qua wetgeving vast te leggen.’ Het contrast tussen deze zalvende woorden en de grimmige daden van de Chinese regering is zo groot dat het lachwekkend zou zijn, ware het niet dat het verbonden is met het zeer reële leed van honderden miljoenen Chinezen. Mensen, laten we elkaar niet te pas en te onpas met Hitler vergelijken, maar laten we ons ook niet voor de gek laten houden door professionele toneelspelers als Maxime en Liangyu, die échte fascistische taferelen proberen te verdoezelen.


20:59:25 12 Mei 2011 Permanente link Reacties (1)

Jongensbroertjes met de bezinning in pacht


In de Volkskrant van vandaag staat een ingezonden brief die me van een walging vervult die ik lang niet heb gevoeld, zó vol staat hij met drogredenen en zó zalvend, belerend en zelfgenoegzaam is de toon. Doordat deze brief bij mij zulke heftige gevoelens oproept, zal dit stuk wellicht wat grover en gemener van aard zijn dan u van mij gewend bent, waarvoor bij voorbaat mijn excuses.

 

Het epistel (hier in zijn geheel te lezen) is opgesteld door drie brave borsten uit de jongerenafdelingen van respectievelijk CDA, ChristenUnie en SGP. Mannenbroeders in spé – jongensbroertjes? Hoe dan ook, de heren hebben er duidelijk geen problemen mee om hun eigen opvattingen een status aparte toe te kennen, en te stellen dat hun gelijk meer waard is dan dat van een ander. In reactie op Marcel Duyvestijn en Thijs Kleinpaste, die een paar dagen terug in dezelfde krant betoogden dat een godsdienst een opvatting is als alle andere, en dat de godsdienstvrijheid eigenlijk uit de Grondwet zou moeten omdat die al “gedekt” wordt door de vrijheden van meningsuiting, drukpers en vergadering, lezen de jongensbroertjes ons de les: ‘Een mening is een bepaalde overtuiging die uit een mens zelf voortkomt en daarom slechts van toepassing is op het aardse domein. Een religie, daarentegen, komt niet uit de mens voort, maar is een geopenbaarde waarheid met transcendente oorsprong, die dus ook buiten het hier en nu relevant is.’

 

Iedereen met een beetje gezond verstand kan zien dat er een gigantische fout zit in dit verbluffende staaltje logica. Helder formuleren wát precies, is heel wat lastiger, maar ik zal een poging doen: het idee dat religie ‘niet uit de mens voortkomt’, is een onderdeel van die religie zelf. Het is iets wat gelovigen nu eenmaal geloven, en dat is hun goed recht; maar atheïsten zullen het er bijna per definitie niet mee eens zijn, en vinden dat religies wel degelijk in mensenhoofden zijn ontstaan. De jongensbroertjes zeggen hier dus eigenlijk dat hun mening speciaal is, omdat die mening inhoudt dat hun mening geen mening is – volgt u me nog? De kern van de zaak is dat hier een opvatting, waar flink over getwist kan worden, naar binnen gesmokkeld wordt als voldongen feit. Anders gezegd: religies vinden zichzelf speciaal, dus ze zíjn speciaal. Enige onderbouwing voor de stelling dat religies ‘geopenbaarde waarheden’ zijn, wordt niet gegeven.

 

En dat is nog maar het begin van de kaartenhuisredeneringen waar de brief van aan elkaar hangt. Let bijvoorbeeld eens op de bijzin ‘die dus ook buiten het hier en nu relevant is’. De jongensbroertjes laten daarop volgen dat ‘religies daarom antwoord kunnen bieden op vragen omtrent goed en kwaad, de zin van het bestaan en andere levensvragen.’ De implicatie is dat andere opvattingen dat niet kunnen. Dit is een strategie die ik vaker tegen ben gekomen bij gelovigen van verschillende denominaties: het zich toe-eigenen van iedere vorm van bezinning of diepgang. Wij ongelovigen worden op een subtiele manier in het “lege”, materialistische hoekje gedrukt, alsof er buiten het geloof geen enkele opvatting is die ‘buiten het hier en nu relevant is’ en wij ons slechts bezig houden met wat we vanavond eens zullen eten en of we dat nou het liefst van een witte of een blauwe tafel doen. Het idee dat politieke en filosofische stromingen zonder religieuze achtergrond – zoals het socialisme, het liberalisme of de plichtsethiek van Kant – ook antwoord zouden kunnen bieden op de ‘levensvragen’ waar de jongensbroertjes dagelijks over piekeren, wordt stilletjes van tafel geveegd.

 

En volgens deze brief hebben gelovigen niet alleen goed en kwaad in pacht - immers, ‘welke mening is in staat om hoop en een bezielende gemeenschap te bieden zoals religies dat kunnen?’ Ik weet niet of Wouter, Paul en Robert (want zo heten ze, de jongensbroertjes) wel eens een geschiedenisboek over de Franse Revolutie hebben opengeslagen, maar uit wat we over die tijd weten, rijst het beeld op van een ‘bezielende gemeenschap’ die zijn weerga niet kent. Er werd gehoopt, gejubeld, gezongen en gevierd onder het vaandel van de seculiere waarden van de Verlichting. De Franse Revolutie was zelfs anti-religieus van aard, maar met de ‘bezielende’ werking zat het duidelijk wel goed. En om nog een voorbeeld te noemen, de duizenden mannen en vrouwen die eind jaren dertig hun leven gaven in een tot mislukken gedoemde poging om Spanje te behoeden voor het (overigens sterk klerikaal getinte) fascisme van generaal Franco, werden bepaald niet geïnspireerd door het geloof. Zij zagen de Kerk als een cynisch en corrupt instituut, en werden vooral ‘bezield’ door uiteenlopende vormen van socialisme. De vraag of zij, de arbeidersklasse, zo lang onderdrukt en uitgebuit, eindelijk een volwaardig bestaan zouden kunnen opbouwen, was voor hen een heel wat belangrijker ‘levensvraag’ dan de vraag of Jezus nu werkelijk uit de dood was opgestaan en of abortus en euthanasie wel moreel verantwoord waren.

 

Begrijp me niet verkeerd, ik weet heus wel dat er ook veel goede en inspirerende dingen uit naam van het geloof zijn gebeurd (en andersom, dat er weerzinwekkende dingen zijn gebeurd zonder dat er een godsdienst aan te pas kwam, en dat er buiten de religieuze sfeer óók heel veel onzin is uitgekraamd). Wat ik hier bestrijd, is de onsmakelijk arrogante suggestie dat niet-religieuze opvattingen niet ‘buiten het hier en nu relevant’ kunnen zijn, en geen ‘hoop en een bezielende gemeenschap’ kunnen bieden.

 

En de jongensbroertjes doen nog een derde boude bewering (zouden ze er alledrie één ingebracht hebben?), namelijk dat ‘de joods-christelijke noties van onder meer naastenliefde, verdraagzaamheid en onbaatzuchtigheid zonder enige twijfel de belangrijkste stuwende krachten geweest zijn in de vorming van onze normen en waarden en onze democratische rechtsstaat’. Let op de woorden ‘zonder enige twijfel’ – hier wordt iets geponeerd dat moeilijk aan te tonen is (des te moeilijker door de vage formulering) en waar je avond aan avond over zou kunnen discussiëren, maar voor de jongensbroertjes is het ‘zonder enige twijfel’ waar. Ook voor deze stelling wordt geen enkel argument gegeven. Het idee dat beweringen niet per se onderbouwd hoeven te worden, is inherent aan de religieuze manier van denken, en Paul, Wouter en Robert hebben het waarschijnlijk met de paplepel ingegoten gekregen. Maar in een serieuze discussie in de grote-mensenwereld moet dat idee naar de prullenbak worden verwezen.

 

Samenvattend kunnen we stellen dat de brief van de jongensbroertjes een smerig mengsel is van cirkelredeneringen, stropoppen, selectief gewinkel in de geschiedenis en bovenal een totaal ononderbouwd, doch onverwoestbaar geloof in de eigen morele superioriteit. Als dit wanstaltige epistel een indicatie geeft van het intellectuele kapitaal van de aanstormende generatie mannenbroeders, is het christen-democratische denken in Nederland definitief ten dode opgeschreven.
18:04:09 11 Maart 2011 Permanente link Reacties (1)

'Wollt ihr den totalen Wahnsinn?'


‘Mijn proces staat niet op zichzelf. Alleen onnozelen denken dat het een incident is... Door heel Europa... vechten... een totale oorlog...’ Nee, deze fragmenten komen niet uit een verklaring van een doorgeslagen RAF-terrorist die na een paar jaar Stammheim helemáál geen idee meer heeft van de werkelijkheid. Het is een Uitspraak van de Ziener van Venlo, van het soort waar de media van smullen. Het volledige citaat is als volgt: ‘Mijn proces staat niet op zichzelf. Alleen de onnozelen denken dat het een incident is. Door heel Europa, niet alleen in Nederland, maar in heel Europa vechten de multiculturalistische elites een totale oorlog uit tegen hun bevolkingen. Met als inzet de voortzetting van de massa-immigratie en de islamisering, uiteindelijk resulterend in een islamitisch Europa – een Europa zonder vrijheid: Eurabië.’

 

Dit is nieuw. Blijkbaar ben ik verwikkeld in een totale oorlog met het Nederlandse volk. En ik niet alleen: mijn ouders, mijn vrienden, de vrienden van mijn ouders, de ouders van mijn vrienden en de voltallige partijkaders van GroenLinks, D66 en de Partij van de Arbeid zitten ook in het complot. We zijn volksvijanden, landverraders. Prettig om te horen.

 

Een “totale oorlog” is een oorlog waarin de strijdende partijen hun volledige economieën dienstbaar maken aan de oorlogsinspanningen. De Tweede Wereldoorlog is het beruchtste voorbeeld. Wat zou dat in ons geval betekenen? Dat knokploegen van linkse jongeren de straten afschuimen en PVV-stemmers neerknuppelen met biologisch fruit? Dat het Brabantse en Limburgse platteland gebombardeerd worden met Scandinavische design-meubelen? Tot zover heb ik nog niets van dien aard opgemerkt, en ik lees toch ook wel eens een krant. Of zou de Volkskrant deel uitmaken van een perfide multiculturalistische propagandamachine, die oorlogshandelingen van de schaal van de Slag bij Stalingrad of het bombardement op Dresden zorgvuldig verzwijgt?

 

Ik vind het nogal vergezocht klinken, maar ja, mij zult u wel niet geloven: ik behoor zelf tot de “multiculturalistische elite” en heb er natuurlijk alle belang bij om de Waarheid die Ziener Geert aan ons Onthult af te doen als Geklets van de Eerste Orde. (Over die andere, aanzienlijk minder multiculturalistische elite, waaruit het leeuwendeel van het VVD-partijkader gerekruteerd wordt, is Ziener Geert aanzienlijk zwijgzamer. Terwijl zij toch ook mensen omvat –Ton Hooijmaijers en Jan Dirk Paarlberg, om er maar eens een paar te noemen – die niet bepaald schone handen hebben.)

 

Ik heb altijd consequent geweigerd om de PVV als een extreem-rechtse partij te beschouwen. Het feit dat zij nooit gebruik heeft gemaakt van geweld of intimidatie is hiervoor mijn belangrijkste reden; de meeste extreem-rechtse bewegingen in Europa staan in een traditie van knokploegen, dreigbrieven en molotovcocktails. Anders verwoord: het ontbreekt Wilders’ partij aan de anti-democratische gezindheid die zo tekenend is voor extreem-rechts. Ook heb ik de PVV nooit kunnen betrappen op een geloof in enige vorm van rassenleer; het is een populistische partij die op een trieste manier de diepe verdeeldheid in de Nederlandse samenleving blootlegt, uitbuit en aanwakkert, maar meer ook niet.

 

Ook bij dit soort uitspraken, die een totaal doorslaan in complot- en conflictdenken laten zien, blijft mijn overtuiging dat de PVV niet extreem-rechts is, overeind. Sterker nog, Wilders’ logica doet mij steeds meer aan dat andere uiterste denken: het klassieke marxisme met zijn Theorieën over de Bourgeoisie en het Proletariaat die Voorbestemd zijn om van elkaar Vervreemd te raken totdat er een Revolutie plaatsvindt.  In dat verhaal zijn wij als “multiculturalistische elite” een soort klassenvijanden.

 

Maar de vraag aan welke extremismen de heer Wilders zich al dan niet committeert, gaat voorbij aan een dieper liggende eigenschap van onze Ziener en zijn partij: hij committeert zich helemáál niet. Een gebrek aan echte overtuiging is een van de belangrijkste kenmerken van de PVV (kijk alleen al naar de bonte stoet gelukszoekers die zich aandient als de partij weer eens wanhopig op zoek gaat naar bestuurders en volksvertegenwoordigers). De reden dat Wilders zulke radicale uitspraken doet, is veel prozaïscher.

 

Geert Wilders is een aapje dat een kunstje doet. Zijn kunstje bestaat uit woede, verontwaardiging en hard roepen dat het niet gekker moet worden. Zijn optreden wordt steeds duidelijker cliché, gemaakt, onoprecht. Tot zover wordt ons aapje beloond met een gestage stroom pinda’s van de media en de kiezers, maar het is een slim aapje: het snapt dat wie wil provoceren en choqueren, steeds heftiger uitspraken moet doen om aandacht te blijven trekken. Anders treedt er immers gewenning op en vindt al snel niemand hem meer bijzonder schokkend. Dus maakt het aapje steeds raardere sprongen en slaat het op steeds grotere trommels, een beetje zoals de commerciële televisie steeds plattere en sensationelere programma’s blijft maken om de aandacht van het publiek vast te houden.

 

Uiteindelijk leidt deze gimmick-politiek weliswaar niet tot totale oorlog, maar wel tot totale waanzin, totale verwijdering van de werkelijkheid. Hoever Wilders zijn kiezers daarin mee kan nemen, is een interessante vraag. Ik verheug me op de dag dat ons aapje een keer uitglijdt en zijn politieke nek breekt, maar ik vrees dat dat nog wel eens een hele tijd kan duren.


13:24:38 12 Februari 2011 Permanente link Reacties (0)



Weblog

Essays

'Ich bin einer Sozialdemokrat'
Een streep in het zand van de Negev
De wraak van de Vrije Jongens
Op de schouders van reuzen
Prettig Germaans
De hemel, de heilstaat en de werkelijkheid
Een jaar in de loopgraven
Waar de blanke top der duinen...
De tere kinderziel
Het Hedwigepoldermodel
Vervelend, die democratie
Het anti-Nederlandse kabinet
Utøya en Guernica
Schrijf uw eigen beginselprogramma
Linkse liberalen bestaan niet
Nationalisme versus nuchterheid
Partijen voor Oenga's en Boenga's
Kapitalisme met geweren
Jongensbroertjes met de bezinning in pacht
'Wollt ihr den totalen Wahnsinn?'
De dienstplicht als integratiemachine
Kolen, staal en bananen
Een stukje vooruitgang
Staat van beleg
The Doors, onsterfelijk in de studio en op het podium
Van Kooten & De Bie en de Nederlandse volksziel
Driewerf hoera voor Wagner
Conservatief programmeren
De grimmige eensgezindheid van een uitgesproken rechts CDA